*

 
dossier

Archief

Onmachtig hard gezongen koren en dichtgeslibde fuga's bij Vonk

PETER VAN DER LINT − 10/11/95, 00:00

Herhalingen vanavond en zondag (tevens rechtstreekse radio-uitzending om 14.15 uur).

Voor Harnoncourt in de plaats kwam Hans Vonk, een prima dirigent maar wel eentje die als geen ander gefoeterd, zelfs gefulmineerd heeft tegen de authentieke muziekbeweging en alles wat ermee samenhangt (dus ook Harnoncourt!). Het was dan ook even slikken toen bekend werd dat juist Vonk het eerste concert in een nieuwe Brahms-Harnoncourt-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest zou overnemen. Overmacht, ik geloof het graag, maar met de keuze van Vonk viel het hele plan om Brahms in een nieuw licht te plaatsen volledig in het water.

Om op de beginvraag terug te komen, het blijft bij een man als Harnoncourt altijd gissen; zijn tempi kunnen zeer tegendraads zijn, maar hij had vast voor een andere orkestopstelling gekozen, voor hardere paukenstokken, voor een meer gedoseerd vibrato en voor een striktere, meer overdreven realisatie van de dynamische tekens. Wat hij met het Groot Omroepkoor gedaan zou hebben, is moeilijker te bedenken, zeker gehoord de nogal matige prestatie van afgelopen woensdag.

Het Omroepkoor klonk onbarmhartig luid en fors. Bij de sopranen waren de problemen niet van de lucht elke keer als er een forte-g moest worden gezongen, laat staan als er hogere noten opdoemden. De schelle, vaak krampachtige realisatie van die hoge noten deed pijn aan de oren. Tekenend voor de onmacht in de sopraangroep was het begin van het laatste deel, waarin de lange f op 'selig' (Brahms schrijft erboven: feierlich) direct met een dubbelforte werd ingezet; het klonk lelijk en het was tegen de tekst in. Misschien studeerde Martin Wright het koor subtieler in, maar in de uitwerking van Vonk bleef daar in elk geval weinig van over. Slordigheid (te vroege bas-inzet op 'Aber des Herrn Wort') en volume voerden de onjuiste boventoon in dit ingetogen werk.

Zo klonk de grote fuga 'Der Gerechten Seelen sind in Gottes Hand' in het derde deel als een enorme grote naaimachine, aangedreven door stoom. Puffend en hijgend kwam het geweld (waarin nauwelijks dynamische variatie te bespeuren viel) na steeds tergender wordende inzetten tot stilstand. Vlak daarvoor dirigeerde Vonk over de fermate heen die zo mysterievol hangt tussen de teksten (met verschillende toonsoorten) 'Nun Herr, wess soll ich mich trösten' en 'Ich hoffe auf dich'. In het begin van het vierde deel werd Brahms' subtiele spel met dynamische gradaties volledig in de wind geslagen. De vele sfeerveranderingen, waarmee Brahms de tekst wilde uitbeelden (de beroemde passage 'und Schmerz und Seufzen wird weg müssen' bijvoorbeeld), kwamen niet uit de verf.

In het orkest waren desondanks soms prachtige dingen te horen. De samenklanken van de houtblazers en harpen in 'Denn alles Fleisch' waren indrukwekkend, evenals de pauk in het derde deel. In het tweede deel hadden de triolen van de pauk veel pregnanter kunnen (en moeten) klinken als stokken met een hardere kop waren gebruikt.

Ongemeen fraai waren de solistische bijdragen van Christine Schüfer en Thomas Hampson. Hampson vulde met zijn indrukwekkende geluid elke hoek van de zaal en wist (zingend zonder partituur) op bewonderenswaardige wijze zijn teksten muzikaal zin te geven. Schüfer was ontroerend puur in haar lange solo. Ze zong met een moeiteloos legato en een perfecte adembeheersing; de kleurverandering op haar voorlaatste noot (schitterend opgepakt door de klarinet) was tekenend voor de kwaliteit van deze zangeres. Jammer dat de bijdragen van Schüfer en Hampson zich in zo'n onbeduidend geheel moesten voegen. Hopelijk komt Harnoncourt ooit zelf nog eens antwoord geven op de in het begin gestelde vraag.

mailIcon print |