In een Podium-artikel van vorige week donderdag komt dr. T. van Laar, voorzitter van het Nederlands Artsenverbond, tot de conclusie dat de zogenaamde 'verbodsverklaring' van de Nederlandse vereniging voor vrijwillige euthanasie (NVVE) veel onduidelijkheden en onzorgvuldigheden bevat. In genoemde verbodsverklaring weigert de ondertekenaar in bepaalde situaties toestemming voor elke behandeling behalve bestrijding van pijn of benauwdheid e.d., wanneer hij zijn wensen op medisch gebied zelf niet meer kan uiten. Een verklaring dus, waarin aan een mogelijke of zelfs waarschijnlijke dood vrij spel gegeven wordt.
Van Laar gaat uit van onvoorwaardelijke eerbied voor het leven. Bedoelt hij daarmee misschien tevens dezelfde eerbied voor het redden van het leven? Als dat zo is, ziet hij over het hoofd dat eerstgenoemde soms lijnrecht staat tegenover laatstgenoemde. Bovendien vindt hij dan de wet op zijn pad.
Van Laar uit kritiek op de rol van het behandelverbod in acute situaties, waarin onverwijld levensreddend handelen uit medisch oogpunt geboden is. Hij vindt dat niet behandelen dan ingaat tegen 'het basisgevoel van iedereen om, waar mogelijk, het leven van een medemens te redden'. Hij vergeet daarbij dat die medemens over dat redden zelf ook iets te zeggen kan hebben. Die zeggenschap is aanzienlijk versterkt door de in april 1995 in werking getreden Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO).
Terecht vermeldt Van Laar dat voor elke medische behandeling de toestemming van de patiënt (of diens vertegenwoordiger) nodig is. Dat was al zo, maar sinds de WGBO is dat bovendien een wettelijke eis. De WGBO zegt ook glashelder, dat een schriftelijke weigering van behandeling, opgesteld toen de patiënt nog in staat was beslissingen te nemen, gerespecteerd moet worden wanneer hij zich daarover niet meer kan uitspreken. De opvattingen van de medische hulpverlener over de behandeling, zelfs als die levensreddend kan zijn, doen dan niet meer ter zake.
Volgens de WGBO loopt de arts in de door Van Laar genoemde acute gevallen dus een risico wanneer hij niet eerst snel zoekt (in tas of kleding van de patiënt) naar een eventuele wilsverklaring. Vanzelfsprekend is het de zorg van de ondertekenaar dat zijn behandelverbod dan boven water komt. Daarvoor heeft de NVVE een plastic niet-reanimeerpasje bedacht ter grootte van een bankpas en voorzien van een ondertekende verklaring (uiterst korte weergave van het behandelverbod) en een foto van de ondertekenaar. Onzekerheid of persoon en pasje bij elkaar horen en onleesbaarheid worden daarmee voorkomen.
Ook geeft de NVVE al veel langer een niet-reanimeren-penning uit, die om de hals gedragen kan worden. Samen met het pasje geeft die een voor ambulanceverpleegkundigen en artsen redelijkerwijs niet te missen signaal dat de drager reanimatie weigert.
Van Laar stelt dat de verbodsverklaring van de NVVE blijk geeft van een grondig wantrouwen tegen de medische beroepsgroep. Ik zie dat anders; wie goed nadenkt over wat hij aan behandelingen beslist niet wil, getuigt daarmee niet van wantrouwen jegens artsen. Hij gebruikt slechts de ruimte die de wet hem geeft.
Voorts schrijft hij: 'Nergens is er sprake van een vereist vooroverleg met een arts voordat er getekend wordt.' Betekent dat, dat hij elke niet-arts voor medisch onmondig houdt? Dat zou getuigen van een paternalisme, dat niet meer van deze tijd is. En hoezo 'vereist' vooroverleg? Geen wet zegt daar iets over!
Het ontbreken van vooroverleg 'staat de vertrouwensrelatie met artsen in de weg en juist die vertrouwensrelatie moet ons inziens altijd de basis voor wel of niet behandelen zijn', vervolgt Van Laar. Niet die vertrouwensrelatie echter, maar de toestemming van de patiënt behoort daarvoor beslissend te zijn. Volgens de WGBO is dat ook zo. Trouwens, in de toelichting bij de nieuwe wilsverklaringen beveelt de NVVE dringend aan daarover te overleggen met de arts, bijvoorbeeld als het gaat om het invullen van de duur van een coma, waarna men geen verdere behandeling meer wil. En de vertrouwensrelatie wordt nog versterkt wanneer een arts de wens om niet behandeld te worden serieus neemt!
Schriftelijke wilsverklaringen blijven van kracht zolang ze niet zijn gewijzigd of ingetrokken. Dat geldt dus ook voor het behandelverbod en is geen bedenksel van de NVVE. Natuurlijk kan de opvatting van de ondertekenaar later veranderen. Hij loopt het risico dat hij dat dan niet meer kan aangeven, maar in de verklaring aanvaardt hij dat risico. Dat doet hij omdat hij een eventuele dood verkiest boven voortleven na een behandeling die misschien wel het leven instandhoudt, maar niet de vroegere kwaliteit daarvan kan terugbrengen. Het jaarlijks updaten van de verklaring, zoals Van Laar wil, is dan ook een eis die geen steun vindt in het recht en de mondigheid van de ondertekenaar miskent.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.