*

 
dossier

Archief

Ik heb de zekerheid dat dit bestaan een doorgang is

COLET VAN DER VEN − 08/01/97, 00:00

Geboren voor, in of kort na de eerste wereldoorlog, een leven waarin kerk en godsdienst een rol speelden die met de jaren veranderde, soms radicaal of meer dan eens. “De dagen onzer jaren zijn zeventig jaar of als wij zeer sterk zijn tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet,” weet de psalmist. Wat zegt de 'zeer sterke' er zelf van? Vandaag de negentiende aflevering: Co Post (90).

Er zijn viereneenhalf miljard mensen op deze planeet met ieder een eigen opvatting en beleving. Elkaar vrij laten en proberen de goede krachten in de wereld naar voren te brengen, daar geef ik me voor. Dan zeggen mensen: 'Jij bent zo positief', maar waarom zou je alles afbreken? Dat is toch nergens voor nodig? Elke man of vrouw moet zoveel mogelijk in het werk stellen om zichzelf en anderen te verheffen boven het stoffelijke bestaan van eten, drinken, slapen en de rest die tegenwoordig nummer een is, je begrijpt wat ik bedoel.

Krishnamurti is zo'n man. Ik heb hem meerdere malen meegemaakt. Met respect. Hij hield iedereen het eigen innerlijk voor als een spiegel: 'Ga in uw binnenkamer.' Volgde zijn eigen Weg, wars van welke groepering ook. Hij is voor mij niet, zoals voor sommigen, de incarnatie van de Messias. Geen sprake van. Die gedachte verfoeide hij zelf ook.

Mijn vader was fabrikant maar geen op geld beluste figuur. Zijn houding was idealistisch, op mensen gericht. We woonden aan de rand van een bos in Apeldoorn en vanuit ons huis zag ik 's ochtends Koningin Wilhelmina te paard langsrijden nadat het personeel de fabriek was ingestroomd. Elke morgen kwamen ze luid zingend binnen: '8 uren werk - 8 uren rust', toen hét socialistische strijdlied. Op een dag nodigde mijn vader hen thuis uit om over de werktijden te praten. Een ondernemersraad avant la lettre.

Hij gaf hun gelijk in hun eisen maar legde uit dat de maatschappelijke omstandigheden het onmogelijk maakten ze in te willigen. Als alternatief stelde hij voor om de totale verantwoordelijkheid voor het bedrijf te delen. Na twee dagen kwamen drie afgevaardigden terug bij mijn vader: “Meneer laat u het maar zo. We weten nu waar we aan toe zijn. De verantwoordelijkheid lijkt ons te riskant.”

Mijn ouders waren absoluut niet kerks, maar ze vonden het belangrijk dat we een basis hadden voor onze geestelijke ontwikkeling. Wilden dat mijn broer en ik enigszins zouden weten hoe in de geschiedenis over bepaalde zaken was gedacht en stuurden ons naar een zondagsschool: De Vereniging ter Bevordering van Zelfstandig Godsdienstig Leven. Iedereen was welkom. Alle visies werden gerespecteerd. We leerden over het christendom en andere godsdiensten. Ik ben blij dat ik die basis heb gekregen. Begrijp me goed, zo'n ondergrond is niet noodzakelijk maar wel belangrijk.

In augustus '14 hoorde ik in het postkantoor dat de oorlog was uitgebroken. Ik holde naar huis om het mijn ouders te vertellen. Mijn vaders reactie was: wat zegt dit kind nou voor onzin, maar dat kind had gelijk. Tijdens de oorlog wezen de verschillende partijen naar elkaar en de Duitsers zeiden: God straft Engeland en de Engelsen: God straft Duitsland.

Ik begreep niet hoe dat mogelijk was. Zag foto's van soldaten in loopgraven die tot aan de heupen in het water stonden en foto's van soldaten die tussen diezelfde loopgraven kerst vierden rondom een boompje. Die twee beelden illustreerden voor mij hoe je je door twee verschillende grondbeginselen kunt laten leiden: door het hoofd of door het hart.

Na de oorlog was de markt kapot en ging de fabriek van mijn vader failliet. Het gaf hem zo'n knauw dat hij nooit meer de oude is geworden. Ik stond voor de opdracht om mijn moeder en jongere broer te onderhouden. Moest een baan zoeken. Ik wilde perse met mensen werken - iets doen voor een ander was vroeger nog een roeping - en ben verpleegster geworden in het Binnengasthuis in Amsterdam. Volgde de vierjarige opleiding maar toen ik de eerste keer assisteerde in de operatiekamer lag ik meteen op het vloertje.

Ik kon er niet tegen en ging op zoek naar ander werk. Ik heb in die jaren weleens gedacht: 'Trouwen zou leuk zijn', maar na de dood van mijn vader ging mijn aandacht uit naar het gezin en vroeger was het zo dat je, wanneer je de twintig was gepasseerd, al te oud werd gevonden om te trouwen. Kinderen heb ik wel gemist. Ik heb mezelf in 1956, na de Hongaarse opstand, aangeboden als adoptie-ouder maar daar is nooit een reactie op gekomen. Wel ben ik later, in mijn functie van maatschappelijk werkster, veelvuldig gezinsvoogdes geweest. Als mensen dan zeiden: “Jammer dat u geen kinderen hebt” was mijn reactie: “Ik heb er meer dan driehonderd.”

Op de - Franse - lagere school zat een aantal padvindsters. Ik wilde ook bij het gilde maar mijn vader zei: “Als je het maar laat. Ik sta het pas toe als je de HBS hebt afgemaakt.” Dat was tenminste mannentaal. Op mijn achttiende werd ik lid; vervolgens, toen de verpleging niet doorging, assistent-pionier - een manusje van alles - en in 1927 de eerste gesalarieerde kracht op het hoofdkwartier. Wat me aansprak in de padvinderij was dat ze dezelfde instelling had als de zondagsschool. Iedereen gelijk.

Het uniform werd door sommigen militaristisch gevonden maar voor mij vlakte het de verschillen uit. Het was niet meer te zien of iemand dochter was van een bankier of een dokwerker.

Tot op de huidige dag wordt over de hele wereld afstand gecreëerd tot het volk. Er is voor mij geen afstand. Ik heb net zo goed gesprekken met straatvegers als met een ambassadeur. De instelling van de mens komt voor mij op de eerste plaats. In 1930 ontmoette ik tijdens een kamp voor padvindstersleidsters een dame uit Indië. Ze zei tegen me: “Jij bent zo overtuigd van het feit dat je voorzichtig moet omgaan met de mensen en de natuur, jij denkt theosofisch.”

Ik kende het begrip nauwelijks. Ben naar de bibliotheek gegaan om me erin te verdiepen en het was alsof ik thuiskwam. Ik heb me aangesloten bij een groep jonge theosofen. We lazen 'De geheime leer' van mevrouw Blavatsky. Een slechte vertaling overigens van The secret doctrine. 'Secret' betekent niet alleen geheim, maar ook verborgen. 'De verborgen oude wijsheid' was een betere titel geweest.

De doelstelling van de theosofie sloot aan bij wat ik zocht: het vormen van een universele broederschap van mensen, zonder onderscheid van ras, geloof, geslacht, kasten of huidskleur. Voor ras zou je beter kunnen invullen volk. Ja, ik heb die discussie gelezen in Trouw over het vermeende racisme in de geschriften van mevrouw Blavatsky. Die kwestie zit me dwars.

Wat is inferieur? Je kunt woorden op diverse manieren vertalen. Ik heb het niet zo geproefd. Er bestaan typen mensen, verschillende manieren van denken maar ik heb voor alle groot respect. Sommige personen halen in hun analyse iets negatiefs uit de theosofie dat er niet inzit. Jammer. Als een appel niet meer naar een appel smaakt komt dat door een verkeerde behandeling van de vrucht. Je kunt de boom niet de schuld geven.

Theosofie wil niets anders dan de ideeën van gelijkheid en broederschap propageren. Het bewustzijn ontwikkelen dat alles dezelfde grond heeft. De vertaling van theosofie is goddelijke wijsheid en dat betekent inzicht in datgene wat boven het stoffelijke verheven is. De zeven werelden waarvan wordt uitgegaan interpreteer ik niet uitsluitend als zeven planeten, zoals sommigen. Je moet voorzichtig zijn met 'hocus-pocus', dat is het gevaar voor iedere kerk of vereniging. Ik hou niet van 'hocus-pocus'. Die zeven werelden kun je zien als stadia van bewustzijn zoals alles zeven aanzichten heeft.

Er is het stoffelijke, het emotionele, het gevoelsmatige, het denken. Tot en met denken kan iedereen, zelfs de computer, maar daarna krijg je het ethisch beginsel en daar heeft de computer geen kaas van gegeten. Hoe sta ik tegenover de ander en datgene dat ik hem of haar aandoe? Het is het empathische denken, het denken met je hart. Een trap hoger staat het boeddhistisch beginsel: het aanvoelingsvermogen wat in de wetmatigheid van de natuur geaccepteerd kan worden of er tegen indruist. Die vraag heeft me geïnspireerd tot dat schilderij daar: 'Stop aanranding van alle leven'.

Het hoogste beginsel is God. Ik gebruik liever de uitdrukking Hoogste Wezen. Het maakt God minder tot een persoon. Geloven betekent dat ik me ingebed weet in het totaal - zoals wanneer ik al schilderend tijd en ruimte vergeet. Behalve bewustzijn ontwikkelen wil de theosofie vergelijkende wetenschappelijke studies aanmoedigen zodat je niet maar klakkeloos uitspraken doet. En ook wil ze de onverklaarde wetten in de natuur en de geestelijke vermogens die in de mens sluimeren onderzoeken.

In mijn beleving heeft dat onderzoeken van die geestelijke vermogens geen zin want daar kun je niet over spreken. Neem alleen al het woord liefde. Hoe zou ik mijn beleving van liefde kunnen uitleggen aan een ander? Dat bestaat niet.

Je moet je bepalen bij wat je ondervindt, ervaart. Ik kan mijn geluksmomenten niet delen. Die beleef ik net als jij: individueel. Dat geldt ook voor geloofservaring. Daarom kent de theosofie geen diensten en geen overheersende tussenpersonen. Iedereen moet voor zichzelf tot een geestelijke levenswijze proberen te komen.

Tijdens de tweede wereldoorlog had ik nog steeds de verantwoording voor het hoofdkwartier van het padvindstersgilde. Op 2 april '41 reed er een grote wagen voor van de Grüne Polizei met drie als heer verklede mannen - heren doen zoiets niet - Ze trokken hun revolver, richtten die op me en ik kreeg prompt een lachbui. Ik zei: “Hemeltje nog an toe. Nou begrijp ik waarom de Duitsers zo flink zijn.” Ze kwamen om het hoofdkwartier in beslag te nemen. Ik vroeg wat de aanleiding was.

“In die boeken van uw beweging staan allemaal dingen tegen Hitler.” Moet je nagaan, Engelse boekjes met aanwijzingen hoe je bijeenkomsten moest organiseren en een kampvuur kon houden. Bespottelijk gewoonweg. En Baden Powell vertrouwden ze ook niet want die was ooit militair geweest in het Engelse leger. Door die inbeslagname verloren de medewerksters, ook ik, van het ene moment op het andere hun baan.

Ik heb me toen als fotograaf gevestigd. Na de oorlog ben ik als maatschappelijk werkster aangesteld en dat zevenentwintig jaar gebleven. Na mijn pensioen schreef ik me in voor een universitaire studie sociologie maar dat was niks. Daar zaten ze, de studenten van begin jaren zeventig; kauwend op de punten van hun lange haren en volstrekt ongemotiveerd. Ik kan veel hebben maar er is een grens. Na een jaar besloot ik dat ik harder nodig was bij de theosofen. Ik heb de studie vaarwel gezegd en ben in het hoofdbestuur van de Theosofische Vereniging gekozen.

Ik heb de zekerheid dat dit bestaan een doorgang is. Op mijn zesde ben ik ernstig ziek geweest. De dokter schoof het raam open om mijn mazelen te bekijken en ik kreeg er een dubbele longontsteking bij. Heb drie dagen tussen leven en dood gezweefd.

Sinds die gebeurtenis weet ik dat dit leven een leerschool is. Je lichaam is als een kleed, een huisje voor je ziel, om je te manifesteren in deze stoffelijke wereld. Ik weet niet of dit mijn laatste leven is. Het interesseert me nauwelijks. Ik zie er niet tegen op om terug te komen. Als ik bang was voor de dood zou ik er nu, op mijn negentigste toch anders bij zitten.

Op een avond kwamen twee jonge mensen naar mij toe en zeiden: “In een volgend leven willen we bij u geboren worden.” Dat leek me wel wat. Wat er na het laatste aardse leven is? Ik lees in de krant verhalen van mensen die het allemaal weten maar ik niet. Ik zou het ook niet willen weten. Kort geleden vroegen ze in de loge: “Co, wat is voor jou nou het Hoogste?” Ik zei: “Harmonie en Geluk.” Misschien is dat ook wel het Laatste. En ook weer het Eerste.

mailIcon print |