“Het is je leven lang examen blijven doen. Telkens als je een nieuw plan hebt moet je verschijnen voor zo'n strenge commissie om je te verantwoorden waarom je die film wilt maken. Je kunt nog zulke prachtige plannen maken voor dramaproducties, de financiën zijn steeds weer de grote handicap.”
Frans Weisz (58) windt zich zichtbaar op als het dilemma ter sprake komt. “Een schilder die iets op een doek zet, kan als het resultaat hem of anderen niet bevalt zijn werkstuk overschilderen of onder zijn bed leggen. Als het veel later weer wordt ontdekt, wordt het soms voor miljoenen verkocht. Zodra het om dramaproducties gaat, moet je niet alleen om geld bedelen, maar ook uitleggen waarom je iets wilt maken, hoe je het wilt opzetten, wat je er precies mee bedoelt, waarvoor het is bestemd en wat je denkt dat het gaat doen.”
“Aan de ene kant is de grote charme van film en drama dat het een gezamenlijk werkstuk is, dat je met velen iets tot standbrengt. Maar anderzijds is het een grote frustratie, dat als je klaar bent met een film en iets nieuws hebt bedacht je weer helemaal achter in de rij moet aansluiten en van voren af aan moet beginnen. Het eeuwige dilemma waarvoor ik word geplaatst is dat ik helaas een uitingsvorm heb die samenvalt met veel geld. Daarom voel ik me onprettig als het woord Stimuleringsfonds valt. Ik zou beslist niet in zo'n jury willen zitten die moet oordelen over de dromen van collega's. Die goed- of afkeuren, dat is zo persoonlijk.”
“Het is een scheve situatie, dat je collega's nee zeggen tegen plannen die jij koestert, dat ze onvriendelijke dingen zeggen over je script. Dat is immers allemaal ongelooflijk subjectief. Naar mijn overtuiging draagt iedereen die op dit terrein doende is in wezen het zaad van een genie in zich. Anders zou zo iemand wel iets anders zijn gaan doen. Bij dat Stimuleringsfonds is zo weinig betrokkenheid. Alleen al het feit dat ze bij de voorvertoningen van mijn werkstukken nog niet één keer zijn komen kijken. Zo ga je toch niet met elkaar om?”
“Het vreselijke in Nederland is, dat we met erg veel mensen zijn en voor dit soort kunstuitingen ontzettend weinig geld hebben. De middelen die er zijn moeten op een eerlijke manier worden verdeeld. Ik geef toe dat ik er ook niet direct een oplossing voor weet. Ik heb een grote mond over hoe het niet moet, maar ik besef heel goed dat dit is gebaseerd op persoonlijke rancune. Er meer geld in pompen zou het allemaal wat gemakkelijker maken.”
“Ik heb het gevoel een leeftijd te hebben bereikt waarop ik het beste functioneer. Ik houd mezelf voor dat ik nog honderd films wil gaan maken. Op het ogenblik ben ik bezig met een vervolg op 'Leedvermaak', de film die ik in 1989 maakte, weer met Judith Herzberg. Die film wil ik in augustus draaien.”
“Het hindert mijn verlangen om te werken, om steeds weer bij het Stimuleringsfonds te moeten aankloppen. Tot nu toe is iedere film die ik graag wilde maken in eerste instantie door het Stimuleringsfonds afgewezen en na lang drammen pas in tweede instantie goedgekeurd. Tegen 'Het jaar van de opvolging', dat zich in 2010 afspeelt in en om het Haagse Binnenhof, zei het Stimuleringsfonds ook in eerste instantie vierkant nee. Het werd als script van tafel geveegd. Nadat Jan Blokker een nieuwe versie had geschreven is het uiteindelijk iets geworden.”
“Door deze bevoogdende werkwijze ben je verkeerd bezig. Je tast de creativiteit van mensen, die hebben bewezen hun vak te verstaan, ernstig aan. Als maker zit je ten opzichte van het fonds een beetje in dezelfde positie als kinderen die niet genoeg zakgeld krijgen en zich door hun ouders niet begrepen voelen.”
“In de loop van de jaren heb ik door al die ervaringen een enorm fatalisme aangekweekt. Ik houd mezelf steeds voor dat wat goed is uiteindelijk verwezenlijkt zal worden, Stimuleringsfonds of niet. Alles gebeurt naar mijn overtuiging om een bepaalde reden. Laten we het religieus besef noemen. Ik denk dat alles al lang ergens geschreven staat. Het enige wat wij doen is proberen, totdat de scheidsrechter voor het einde heeft gefloten, er zoveel mogelijk uit te halen. In wezen kun je zeggen dat als een film niet van de grond komt, het uiteindelijk niet aan het Stimuleringsfonds is te wijten dat ie niet wordt gemaakt. Ik houd me er maar aan vast dat het voor mijn eigen bestwil is als iets niet doorgaat of wordt vertraagd.”
Het opnieuw winnen van een Oscar betekent naar de vaste overtuiging van Weisz 'een enorme stimulans' voor de Nederlandse filmwereld. “Uiteindelijk plukken we daar met zijn allen de vruchten van. Staatssecretaris Nuis heeft in een eerste reactie al laten weten zo trots te zijn op die Oscar, dat hij meer geld in de Nederlandse film wil pompen. Het is wel droevig dat er eerst een Oscar moest komen om de trots van meneer Nuis aan te wakkeren.”
“Filmregisseurs zijn steeds minder bang geworden om met acteurs te werken. Vroeger waren dat werelden die elkaar nauwelijks ontmoetten. Filmregisseurs gingen niet naar het toneel en toneelspelers beschouwden film als een vreemde schnabbel, waar je je aan overgaf als je geld nodig had om je huis op te knappen. Filmregisseurs zijn langzamerhand steeds meer verhalen gaan vertellen over de inhoudelijke kant van het leven. Daar is de deze week bekroonde film 'Karakter' een prototype van.”
Frans Weisz verdiepte zich twaalf jaar geleden ook al in 'Karakter'. “Ik ben een Bordewijk-liefhebber, maar het calvinisme dat daarin speelt staat toch te ver van me af. Mike van Diem verdient die Oscar. Met alle jaloezie die ik voel, wens ik hem alle goeds toe. Een Oscar winnen is zoiets als goud behalen bij de Olympische Spelen. Dat blijft de rest van je leven aan je hangen. 'Karakter' is een film die met zo ongelooflijk veel liefde en inzet is gemaakt dat ik er vrijwel kritiekloos over ben.”
Weisz, zoon van de acteur Geza Weisz, die in 1933 met een gezelschap Duitse joden uit nazi-Berlijn naar Nederland vluchtte, stond in eerste instantie ook een loopbaan als acteur voor ogen. “Op het eind van de jaren vijftig begon ik als figurant in de 'Gijsbrecht' en de 'Macbeth' met Ko van Dijk en Ank van der Moer. Dat ik van de toneelschool werd afgeschopt beschouwde ik als een totale nederlaag. Daar heb ik me nooit bij neergelegd. Filmen heb ik gebruikt als een alibi om weer met toneel in aanraking te komen. Nu heb ik het er niet moelijk meer mee dat het met dat acteren niets is geworden, omdat ik heb leren inzien dat ik dan waarschijnlijk straalongelukkig zou zijn geworden. Want er is niets erger dan een tweederangs acteur te zijn die moet opdraven als portier. Maar als ik op een onbewoond eiland zou aanspoelen hoop ik toch dat de volgende boot met passanten uit een rondreizend toneelgezelschap bestaat.”
“Het leuke van acteur zijn is dat je samen met gelijkgestemden kunt spelen, samen met hen een verhaal mag vertellen. In mijn volgend leven wil ik beslist weer het toneel op. Het willen spelen zit manifest in me. Ik ben een spelletjesmaniak, of het nu bridgen is of schaken.”
“Overal is een verklaring voor. Als klein kind ben ik ondergedoken geweest en het tegenovergestelde van onderduiken is op een toneel gaan staan.
Als jongen van twaalf had ik bij mijn moeder op zolder een soort schimmenspel. Ik had figuren uit het sprookje 'De Japanse nachtegaal' uitgeknipt en zat daarmee achter een doek. Als je een lampje aandeed, zag je die figuren op dat scherm verschijnen. Op het moment dat het publiek binnenkwam speelde ik op de mondharmonica.''
“Die opwinding, die trilling, daar blijf je je hele leven op jagen. Dat geschuifel van mensen, dat geroezemoes in een zaal en dat gelach, dat is waar je naar op zoek bent, altijd naar op zoek blijft. Toen vanmorgen 'Het jaar van de opvolging' werd voorvertoond, stond ik met mijn oor tegen de deur of ik iets van reacties op kon vangen. Twee jaar heb ik aan die dramaserie gewerkt en nu gaan mensen ernaar kijken. Hoe reageren ze erop? Hakken ze mijn kop eraf of vinden ze het mooi? Want het is nog altijd zo dat je moeder de enige is die al je tekeningetjes aan de keukenmuur hangt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.