*

 
dossier

Archief

beeldende kunst

ROBBERT ROOS − 09/09/95, 00:00

T/m 29 oktober, Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht, di t/m za 10 tot 17 uur, zon- en feestdagen 12 tot 17 uur. Catalogi per stuk ¿ 12,50, de drie tezamen ¿ 30.

Vier mollige blote jongetjes bungelen als cherubijntjes aan het plafond. Ze worden met touwen en katrollen in de lucht gehouden door atletische mannen. Deze bevinden zich op het dak van een kleuterschool waar een juf aandachtig luisterende kindertjes les geeft en een moeder net haar dochtertje komt brengen.

De achterdeur van het leslokaal staat op een kier. We zien door de deuropening nog net hoe een man een tegenstribbelend jongetje uit het lokaal haalt. Hij is het volgende slachtoffer voor het tafereel van bungelende jongetjes dat is opgezet als 'levend tableau' voor een groep ijverige schildersleerlingen van de 'Ecole de baroque arts', een verzinsel van Nicole Eisenman.

Deze wandschildering van Eisenman is een werk met valkuilen. Zij oogt vriendelijk en decoratief, maar heeft een cynische ondertoon. De jongetjes hangen er niet vrijwillig. Ze worden geslachtofferd ter meerdere eer en glorie van het mannelijke schildersbolwerk dat de klassieke academie in Eisenmans ogen is. Rechts in de muurschildering zijn heroïsche mannen actief bij het scheppen van grootse werken, terwijl links onderin de vrouw haar opvoedende en verzorgende plicht doet.

Het commentaar van Eisenman is lichtvoetig en spottend. Gelukkig is het niet zo zwaar politiek correct als veel Amerikaanse kunst van eind jaren tachtig, begin jaren negentig, maar wel even doeltreffend. Eisenmans cartooneske stijl is - met name in de tekeningen - hilarisch, maar ook scherp, en stemt tot nadenken. Hij etaleert een visie op de maatschappij, die voorbijgaat aan schone schijn.

Onthullend

Thema's als seks, pornografie, geweld en macht worden onverbiddelijk en onthullend aan de kaak gesteld, waarbij Eisenman zichzelf veelvuldig als lijdend voorwerp afbeeldt. De volle omvang van deze satire is te zien in een ruimte vol tekeningen, kranteknipsels, advertenties en verpakkingsmaterialen. Het is een kaleidoscopische collage van esthetisch-erotisch bedoelde naakten die door Eisenman getransformeerd zijn tot wellustige porno-godinnen, ironische parodieën op kunstwerken en kunstenaars, en tekeningen vol zelfspot met de kunstenares in banale poses.

Op een zijmuurtje wordt de spot gedreven met Jip en Janneke. Eisenman maakt hiervoor dankbaar gebruik van de gaten en oneffenheden die in de witgeschilderde onttakelde wanden van de tentoonstellingsruimte zitten. Een boorgat werd een vagina voor Janneke, terwijl een achtergebleven pijpje het geslacht van Jip vormt. In een andere tekening moet ook Roodkapje er aan geloven. In het in bloedrood geschilderde werk is de sprookjesfiguur de maaltijd in een gezellige picknick van oma en de wolf. Met het ontheiligen van dit soort kinderidolen haalt Eisenman heel effectief de onschuld van kinderverhaaltjes onderuit.

Kim Adams flirt ook met de kinderwereld, maar dan op een minder snedige manier. Hij gebruikt modelautootjes, spoorwegbanen, plastic poppetjes en onderdelen van bouwpakketten voor het construeren van ambivalente fantasie-voertuigen. Ze hebben de zweem van functionaliteit, maar zijn niet meer dan schijnprodukten van een dolgedraaide gemechaniseerde wereld. Ook in het werk van Adams klinkt dus maatschappijkritiek door.

Pièce de résistance van Adams' oeuvre is 'Earth Wagons' (1989-1991). Op twee grote aanhangwagens bouwde Adams wat op het eerste gezicht een gewone spoorwegbaan met huisjes, mensjes, een kermis en andere activiteiten lijkt. Het blijkt echter een orgie van autootjes, mensen en voorwerpen die in een absurdistische optocht van niets naar nergens gaan. Het driedimensionale pandemonium biedt uren kijkplezier en is een droom voor ieder kind (én voor het kind in de volwassene). Zoals ook bleek op de tentoonstelling, waar een jongetje van een jaar of acht keer op keer iets nieuws ontdekte. “Maar”, verzuchte hij een paar maal, “wat jammer dat het niet mag draaien.”

Draaien doen de cirkels van Johan van Oord wel, maar dan ogenschijnlijk. Het idee van beweging wordt met puur schilderkunstige middelen bereikt. Met oneindige precisie draait Van Oord zijn abstracte rondjes op een witte achtergrond, de verfstreek goed zichtbaar latend, zodat het licht er overheen speelt en het handschrift laat spreken. Het minimalistische werk heeft een verstilde dynamiek, met een bespiegelend karakter. Rust en concentratie zijn geboden in het gedeelte van de oude schilderijenzalen waar Van Oord exposeert. Iets dat moeilijk op te brengen is na het frivole, visuele geweld in de andere ruimtes.

mailIcon print |