De auteur is pastor te Almelo. Hij verzorgt regelmatig lezingen voor de Vereniging Ouders overleden kind.
In de eerste plaats valt op dat de meeste aandacht zich concentreert op de eerste dagen, weken en maanden. Voor zeer velen die een kind verloren zijn het tweede, derde jaar, veel zwaarder. De eerste tijd is een tijd van overleven, pas daarna dringt de pijn van het verlies steeds meer in volle omvang door. Dat betekent dat iemand bijvoorbeeld de eerste maanden in staat is om naar zijn of haar werk te gaan en daar ook goed te functioneren, maar hiertoe na verloop van tijd niet meer in staat is. Ik heb gemerkt dat er wel begrip op het werk is als iemand de eerste maanden niet komt, maar niet meer als men na een half jaar of later zich ziek meldt. “Is er iets?' wordt dan gevraagd. “Het is nu toch al zo lang geleden.” Maar wie een kind verliest, leeft in een geheel ander tijdsbesef, dat meer gericht is op het verleden dan op de toekomst. Er wordt meer geleefd van dag tot dag.
Als ik hier over ouders spreek, denk ik ook aan hen die er als ouder alleen voor staan.
Voor ouders die een kind verloren blijkt het fnuikend als, ook door hulpverleners, wordt gesproken over 'afsluiten van de rouw, terugkeren naar de realiteit'. Ook het woord 'verwerken' wordt vaak opgevat als 'wegwerken', er niet meer aan denken. Feitelijk bemerk ik veel meer dat het verdriet wel anders kan gaan voelen, 'zachter' zei een moeder, maar levenslang is en ook na vele jaren nog 'fel' kan zijn. Een afwisseling van 'zacht en fel'.
Zeer vaak wordt tegen ouders gezegd: “Je hebt nog meer kinderen, je bent nog jong, je kunt nog weer in verwachting raken”. Dit goed-bedoeld wijzen op wat men 'nog over' heeft, troost niet, maar versterkt bij ouders het gevoel: 'niemand begrijpt je. . .' De aandacht moet gericht zijn op het verlies, het gemis, de leegte, de koude nacht van rouw en verdriet.
In de contacten treft me regelmatig de positie van mannen. Er wordt gedacht dat mannen niet of minder rouwen. Ik ben meer tot de conclusie gekomen dat mannen anders rouwen, en moeilijker.
Omdat partners en anderen vaak geen weet hebben van 'hoe anders' ontstaan er misverstanden, verwijten en ernstige spanningen die de relatie onder druk zetten. Ondersteuning van ouders die een kind hebben verloren moet vanaf het begin veel meer ondersteuning van de echtelijke relatie zijn (al of niet gehuwden).
Ook wordt vaak gezegd of gesuggereerd dat het verlies van een kind voor de moeder erger is dan voor de man. Dit kan ertoe leiden dat de man zijn eigen verdriet verbergt of er zich er voor schaamt. Hij moet dan de sterke en verantwoordelijke zijn. Mannen ondervinden ook dat bij herhaling gevraagd wordt: “hoe gaat het met je vrouw?” en niet: “hoe is het voor jou?”
Het verlies van een kind wordt als het grootste trauma ervaren, maar de ondersteuning heeft een veel minder hoge prioriteit. Zoals al opgemerkt, zijn het begrip en het medeleven in het begin het sterkst, maar daarna neemt dat af en en gaat het zich beperken tot enkelen. Velen verliezen vrienden en kennissen en voelen zich ook in familiekring eenzaam. Door huisartsen en vanuit de kerken zou gedacht moeten worden aan een meer actieve aandacht, minder afwachtend.
Zo kan het een steun zijn dat ouders die een kind verliezen adressen kennen en lectuur die hun herkenning aanreiken. Ik noem in dit verband de Vereniging Ouders overleden kind. Het is jammer dat zij die contact zoeken met lotgenoten door de omgeving en ook door de professionele hulpverleners vaak ontmoedigd worden. “Daar koestert men het verdriet”, wordt dan gezegd.
Opvallend is voorts dat de aandacht zich richt op de ouders en aanzienlijk minder op de andere kinderen, die toch een broer of zus hebben verloren. De omgeving moedigt de kinderen aan om flink te zijn, of vraagt nauwelijks naar hun beleving. Jarenlang kunnen ouders en de overgebleven kinderen vaak niet met elkaar praten of ontstaan er extra spanningen. Kinderen die een broer of zus verliezen, verliezen in zekere zin ook hun ouders. Die ouders worden rouwende ouders. Er is maar schaarse aandacht voor het eigen verdriet van kinderen, met name voor opgroeiende jongeren.
Dit kan ook gezegd worden voor de grootouders. Bij het verlies van een jong kind, leven vaak alle grootouders nog. Zij verliezen hun kleinkind en zien het verdriet van hun kinderen. Ze willen hen steunen. Niet zelden leidt de intense onmacht echter tot spanningen, omdat ze te dicht op hun kinderen gaan zitten of troostwoorden spreken die niet troosten. Het verlies dat de grootouders lijden is een eigen ervaring die niet verwaarloosd moet worden en niet vergeleken met het verlies van de ouders.
In de literatuur wordt soms een onderscheid gemaakt tussen acute rouw en anticiperende rouw. Er wordt gezegd dat ouders die een kind na een ziektegeschiedenis (leukemie bijvoorbeeld) hebben verloren, zich hebben kunnen voorbereiden op het afscheid in tegenstelling tot ouders die een kind zeer plotseling door een ongeval verliezen.
Ik heb hierover grote twijfel. Mede door de toegenomen medische mogelijkheden leven ouders steeds meer tot het einde toe tussen 'hoop en vrees', met het accent op 'hoop'. Ze vrezen wel de fatale wending, maar bereiden zich er nauwelijks echt op voor. Het is gevaarlijk te suggereren dat zij het minder moeilijk zouden hebben.
Ik heb hier een aantal punten genoemd die ik in contacten met ouders die een kind hebben verloren bij herhaling heb gehoord. Ze zetten tot denken over een betere ondersteuning en begrip. Dat begrip is altijd bij benadering. Het verlies van een kind blijft ook onvoorstelbaar, het verbijstert en maakt stil. Opdat de ouders zelf kunnen spreken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.