De verkiezingsprogramma's vallen als bladeren van de bomen: we zijn in de herfst van de eerste paarse omloop beland. De voorpagina's zullen er weer ruimte voor vrijmaken, daarmee suggererend dat Nederland op korte termijn wel eens drastisch zou kunnen veranderen.
Hoofdredactionele commentaren zullen vervolgens met teleurstelling constateren dat het toch weer schort aan een voldoende vernieuwende aanpak, daarmee de traditie voedend die wil dat vernieuwing als doel op zichzelf onveranderd hoog wordt gewaardeerd. Tenslotte zal worden verzucht dat wellicht de formatie van een nieuw kabinet nog een kans biedt dat de eisen van de tijd alsnog worden begrepen.
Een mooie opmaat voor het opnieuw uitvoeren van een klassieke pas de deux tussen beeld en werkelijkheid van de politiek in de aanloop naar het dan weer volgende kabinet.
De spanning tussen beeld en werkelijkheid van de politiek is immers van alle tijden. Was het niet Machiavelli die bijna vijfhonderd jaar geleden al opmerkte dat het volk nu eenmaal wispelturig van aard is? De regeerder dient, aldus Machiavelli, niet al te veel illusies te hebben over de vernieuwingsgezindheid van het volk.
Het volk is weliswaar gevoelig voor beloften voor een betere toekomst, maar als het op verandering en vernieuwing aankomt, overheerst het wantrouwen. Men zou dus kunnen concluderen dat een politicus maar ambachtelijk moet zien om te gaan met dit bestendige gegeven; anders is hij zijn politieke leven niet zeker.
Er is echter veel voor te zeggen de spanning tussen beeld en werkelijkheid van de politiek aan een kritischer beschouwing te onderwerpen.
Sleutelen
Het vermogen van de politiek tot handelen en vernieuwen wordt onderschat. Maar in plaats van dat de politiek daaruit de consequentie trekt dat zijn daden beter naar de burger dienen te worden gecommuniceerd, is er de neiging driftig te gaan sleutelen aan wat heet staatsrechtelijke en bestuurlijke 'vernieuwing'.
De politiek voegt zich naar de vormvereisten zoals die klaarblijkelijk sinds de jaren zeventig in de mediabeoordeling opgeld doen. Wie niet voor die vernieuwing is, is geen knip voor de neus waard. En wie geen dualist is, neemt het minder nauw met de democratie.
Deze noties zijn wat schematisch neerzet, maar ik meen wel dat ze in de almanak van de politieke correctheid hoog scoren. En ik ben ook van mening dat juist rond deze begrippen de frictie tussen beeld en werkelijkheid van de politiek contraproductief uit dreigt te werken voor het aanzien van de politiek en daarmee ook voor de kwaliteit van de democratie. Omdat een goed functionerende democratie geen vanzelfsprekendheid is en dus permanent onderhoud vergt, is er alle reden nader te bezien waar de door mij gesignaleerde frictie is gelegen, en hoe beeld en werkelijkheid meer op elkaar aangesloten zouden kunnen raken. Maar eerst dient de vraag te worden beantwoord hoe het komt dat het vermogen van de politiek zo wordt onderschat.
Mijn hoofdpunt is dat het beeld is ontstaan dat de grenzen tussen politiek en economie en tussen politieke stromingen onderling onstuitbaar vervagen. En onder dat dominante beeld dreigt de aandacht voor werkelijk betekenisvolle politieke grensverlegging te verslappen. Is de technocratie aan de macht? Zijn politici verstrikt geraakt in een soort ambtelijk industrieel complex? Stuurt de staart het hoofd of andersom? Ik wil dit illustreren met twee markante voorbeelden.
De komst van de euro
De aanstaande komst van de euro is op puur politieke motieven gebaseerd. Weliswaar zijn er substantiële economische belangen in het geding, maar deze zijn tot op de dag van vandaag niet doorslaggevend. Het is het meest spectaculaire politieke besluit dat in dit decennium is genomen. De impact die van de eenheidsmunt zal uitgaan op onze economie en politiek in de volgende eeuw kan moeilijk worden onderschat. Maar het gebeurt wel, want vergeten is dat zich in niet meer dan vijf jaar een ongekende convergentie heeft voltrokken tot en met Griekenland aan toe.
Het feitelijke nieuws dat zich voltrekt is natuurlijk dat de moed van Delors en Kohl en het belangrijke werk van Lubbers, Kok en Duisenberg en een aantal andere Europeanen, ertoe zal leiden dat ons deel van het continent nog vaster aan elkaar geklonken zal raken. Maar wie plaatst nog deze mijlpaal in het kader van de 'mission impossible' die Monnet en de zijnen na eeuwen van strijd en oorlog ondernamen?
Waarom weet de politiek niet het idealisme uit te dragen dat in haar eigen daadkracht schuil gaat? Wat is de reden dat iedere keer de verwachtingen rondom een Europese Top, of het nu om een verdrag gaat of niet, zodanig worden opgeklopt dat het wel mòet tegenvallen. Terwijl de vooruitgang voortschrijdt tot en met Amsterdam aan toe.
Een ander voorbeeld, een uit eigen huis: de strijd tegen de langdurige werkloosheid. Noch de markt, noch de overheid bleken lange tijd in staat hier gericht iets aan te doen. Dat was niet eens altijd een kwestie van onwil, maar meer een kwestie van politiek en bestuurlijk onvermogen. Want het gaat hier om een kwaal waarvoor de klassieke receptuur, die uitgaat van strikte scheiding tussen overheid en markt - en van beloning volgens productiviteit - onvoldoende uitzicht op genezing te bieden had en te bieden heeft.
Het is vervolgens een politieke keuze geweest om langs een veelheid van wegen, een veelheid van instrumenten en ook een veelheid aan middelen banen te creëren voor mensen die langdurig aan de kant hebben gestaan. Het is een politieke keuze geweest om een negatieve sociale erfenis om te buigen in sociale investeringen.
Dat is gebeurd door onorthodoxe wegen in te slaan. Door als dat nodig was de scheiding tussen markt en overheid te slechten. Door uitkeringsgelden te gebruiken voor de financiering. Door als dat nodig is te experimenteren en de regels te veranderen. Die vernieuwende en door de politiek geïnitieerde aanpak heeft zich - geheel conform de voorspellingen van Machiavelli - mogen verheugen op veel commentaar en kritiek.
Ik heb daar geen moeite mee. Maar ik veroorloof me in dit verband wel de opmerking dat ik gemerkt heb hoe moeilijk het is om juist als de kwetsbare fase aanbreekt - de periode waarin je enerzijds met onvermijdelijke aanloopproblemen te maken krijgt maar waarin je anderzijds nog geen resultaten kunt melden - het voordeel van de twijfel te behouden.
Ik zou deze voorbeelden met een lange reeks kunnen aanvullen. Van sociale zekerheid als noodzakelijke voorwaarde voor maatschappelijke stabiliteit en economische groei tot en met de sanering van de varkenssector waarin voor het eerst de belangen van het milieu tot effectieve randvoorwaarde zijn verheven.
De politiek, die afwegingen integreert, daarover concludeert en uiteindelijk de samenleving daardoor bindt, is in proces en uitkomst doorslaggevend.
Waarom dan toch de feiten van grensverlegging wegstoppen onder klagende verhalen van grensvervaging? Laten we aannemen dat de politiek de neiging heeft voor tenminste de aankondiging van vernieuwing weg te duiken. De georganiseerde tegenkrachten weten hun weg naar de media immers snel te vinden. Het algemeen belang is minder pakkend onder woorden te brengen dan de afzonderlijke gevestigde belangen.
Als dan toch uiteindelijk, ondanks afwezigheid van bevlogen debat, vernieuwing tot stand wordt gebracht, is het dan erg dat het vermogen van de politiek tot handeling en verandering wordt onderschat, anders dan dat haar aanzien er wat bleekjes bij blijft?
Op de korte termijn moet dat inderdaad voor politici die tegen een stootje kunnen geen probleem zijn. Op de wat langere termijn echter erodeert dit het aanzien van en dus ook het vertrouwen in het toekomstig vermogen van bestuurders.
De vertaling van het politieke handelen naar een stoelendans in het centrum van de macht, waarbij iedereen op elkaar lijkt en tot elkaars plaatsvervangers wordt, maakt de democratie er niet aantrekkelijker op. Niet zozeer als systeem, maar wel als beginsel en ideaal van participatie.
Nu zou het kunnen zijn dat deze analyse klopt, maar onmogelijk de media aangewreven kan worden omdat politici zich plegen op te stellen in rijen van drie om over dezelfde onderwerpen hetzelfde sentiment te bespelen, waarbij de spanning niet wordt uitgemaakt door de vraag wat er wordt gezegd, maar wanneer iets wordt gezegd ter vervulling van het oerhollands adagium: wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Daar staat wel wat tegenover.
Vele jaren van kleine beleidswendingen, steeds weer in dezelfde richting, kunnen een maatschappij voorgoed hervormen. In de jaren tachtig is dit in Nederland onmiskenbaar gebeurd. De kabinetten-Lubbers hebben van Nederland een ander land gemaakt.
Waarom heeft de politiek de media - die zij verdient - niet op een ander spoor weten te krijgen? Er zijn oorzaken die in de cultuur van de politiek zelf liggen. De politiek zelf werkt mee aan een beeld van onmacht en aan de onderwaardering van de politiek als ambacht. Het is - om deze stelling te onderbouwen - nuttig te kijken naar wat Machiavelli in dit verband op te merken heeft.
Machiavelli zegt dat de kracht van elke machtspositie kan worden beoordeeld aan de hand van de simpele vraag of je op eigen benen kunt staan of dat je afhankelijk bent van anderen. In de zestiende eeuw betekende dit dat een heerser slechts dan sterk is als hij een leger bijeen kan brengen dat slag kan leveren tegen elke vijand die hem aanvalt.
Vertaald in hedendaagse termen zou je kunnen zeggen dat de positie van de politiek slechts dan sterk is als politici voldoende eigen deskundigheid in huis hebben en daarvoor niet afhankelijk hoeven te zijn van ambtenaren of belangengroepen.
Bij die deskundigheid gaat het natuurlijk eerst en vooral om kennis van zaken van de politici zelf. Maar het gaat daarnaast ook om de nodige ondersteuning vanuit de politieke partij.
Zorgen
Op beide punten maak ik mij zorgen. Ik hoor om me heen weliswaar steeds meer pleidooien voor een herwaardering van de politiek als ambacht, maar wat ik feitelijk zie is vooral de uitholling daarvan. Hoe kun je van Kamerleden deskundigheid en toewijding aan de partij - ook in slechte tijden - verwachten als diezelfde Kamerleden tegelijkertijd te verstaan wordt gegeven dat ze in ieder geval na twee termijnen weer moeten wegwezen?
Ik meen dat de Nederlandse politiek zichzelf te kort doet door te veronderstellen dat politici beter, wervender en geloofwaardiger zijn naarmate ze minder lang in Den Haag hebben rondgelopen. Ik wil niet beweren dat het aanboren van nieuw talent of het aantrekken van aansprekende gezichten van buiten een slechte zaak is.
Maar als je het hebt over het aanzien van de politiek in haar algemeenheid of over de aantrekkingskracht van de politiek als ambacht, dan dreigt het systematisch ontmoedigen van het opbouwen van ervaring paradoxaal de niet-gekozen macht in de besluitvorming in de kaart te spelen.
Wie van staatsrechtelijke en bestuurlijke vernieuwing een halszaak maakt, heeft een probleem wanneer de maatschappij tamelijk consequent aangeeft deze soort van vernieuwing minder urgent te achten dan het boeken van beter resultaat binnen bestaande verhoudingen.
Het is natuurlijk niet verkeerd om voor systeemherziening te pleiten. Maar als het feest niet doorgaat, moet het werk wel gemotiveerd worden binnen een kennelijk ondeugdelijk kader. Is het dus niet productiever om meer aandacht te besteden aan de praktische dialoog met de burger en de wijze van besluitvorming bìnnen het bestel? En het staatsrechtelijk vernieuwingsrepertoire hooguit als inspiratiebron te gebruiken?
Wie dualisme omarmt omdat het beter controleert, vergeet de controleur bij uitstek - de kiezer - te bedienen. Want deze zal zich toch minder dan het Binnenhof willen bezighouden met de staatsrechtelijke fictie dat een coalitiekabinet onzijdig en ondeelbaar door het leven gaat.
Dus waar staat in deze traditie de democratie? Wat is de effectiviteit als er door de scheiding van verantwoordelijkheden een grotere kloof in aanzien ontstaat tussen de leden van het kabinet en de leden van de Kamer?
Hoe waar het ook is dat de volksvertegenwoordiger de meest gewichtige functie toekomt, in de beeldvorming is dit al lang verleden tijd. Is hieruit misschien de onderscheidende definitie tussen politici met een grote P en politiek met een kleine p ontstaan? En ligt hierin wellicht één verklaring voor het voor de kiezer toch wat raadselachtige gegeven dat kandidaatstelling voor de Kamer en voor een ministerschap als twee gescheiden opties kunnen worden beleefd?
Maar op een coalitie, hoe succesvol ook, kan men niet stemmen. Beelden als deze raken de plaats van de politiek meer in cultuur dan in natuur, meer in verschijningsvorm dan in substantie. Maar zij voeden wel de discrepantie tussen beeld en werkelijkheid en dus het vertrouwen in het politieke systeem en zijn vertegenwoordigers.
Natuurlijk is hiertegen kruid gewassen. Dat ligt in dezelfde natuur van de politiek. Ik meen dat dit, in wisselwerking tussen politiek en media, langs deze lijnen zou kunnen lopen.
Ten eerste: Meer openheid over en aandacht voor de feiten van grensverleggend handelen en wat minder beelden van grensvervagend convergeren.
Ten tweede: Meer clementie voor vernieuwing in de praktijk en een kritischer blik op vernieuwing als retorische stijlfiguur.
Ten derde: Een herwaardering voor de rol en functie van politieke partijen als dragers van maatschappelijke integratie. Dit laatste punt wil ik nog kort toelichten. Politieke partijen weten hooguit hun ledental te stabiliseren, maar zullen waarschijnlijk als ledenorganisaties verder terrein moeten prijsgeven.
Toch is dit geen uitdrukking van gebrek aan politieke belangstelling. Naar mijn indruk is de betrokkenheid van de burgers heel behoorlijk, zij het selectief en niet zelden hoogst geprofessionaliseerd geleid.
Herwaardering
Ik zou willen pleiten voor een herwaardering van de politieke partij als kenniscentrum van maatschappelijke integratie. Met meer mogelijkheden om deze rol professioneel en kwalitatief verantwoord waar te maken. Met mogelijkheden ook dat de overheid niet-campagne activiteiten meefinanciert op basis van het bij de Tweede Kamerverkiezingen uitgebrachte aantal stemmen. En daarmee een dam opwerpt tegen private sponsoring, voordat het ook hier mode wordt.
Vitale politieke partijen zijn de levenslijn van het type democratie dat Nederland past. Ze vormen tussen beeld en werkelijkheid van de politiek de schakel die haar aanzien dichter in de buurt van haar handelingsvermogen kan brengen.
Versterking van de functie van politieke partijen is daarmee in het algemeen belang. En zou daarmee een mooi voorbeeld zijn van gepaste vernieuwing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.