*

 
dossier

Archief

De leeuw die mij verscheurde

KAREL VAN DER TOORN − 04/04/98, 00:00

Daniël, de vrome jood, adviseur aan het Babylonische en Perzische hof, belandt door toedoen van jaloerse collega's in de leeuwenkuil. De koning onder wiens regering een en ander gebeurde doet die nacht geen oog dicht. Misleid door zijn ambtenaren had hij geen andere keus gehad dan Daniël voor de leeuwen te werpen. Tot zijn immense opluchting blijkt Daniël de volgende morgen ongedeerd: God heeft 's nachts een engel gezonden en de muil van de leeuwen toegesloten. Beter bewijs van Daniëls onschuld is niet denkbaar. Daarop worden Daniëls tegenstanders gehaald en met vrouw en kinderen in de leeuwenkuil geworpen. Nog voordat de mannen de bodem van de kuil hebben bereikt maken de leeuwen zich van hen meester en vermorzelen hen tot op het bot.

Voor bijbelgeleerden is de leeuwenkuil in het zesde hoofdstuk van het boek Daniël een probleem. Niet omdat zij moeite hebben met wonderen, want over het fictieve karakter van het verhaal zijn haast alle uitleggers het eens. Het probleem is dat de leeuwenkuil niet past in de geschiedenis. Terwijl de beschrijving van Daniël als koninklijke beambte perfect aansluit bij contemporaine berichten over de intellectuele elite aan het oosterse hof, is de leeuwenkuil als strafmaatregel onbekend in Assyrische, Babylonische of Perzische bronnen. De Romeinen lieten christenen en andere boeven in de arena door wilde dieren verscheuren, maar dat gebeurde pas op enigszins systematische wijze vanaf de Keizertijd. Het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil stamt uit de vierde of derde eeuw voor Christus, terwijl de beschreven gebeurtenissen in de zesde eeuw voor Christus zijn gesitueerd. Een leeuwenkuil à la romaine met Daniël als strijder in de arena is dus een anachronisme. Omdat de schrijver van het verhaal voor het overige goed bekend blijkt met de gebruiken aan het oosterse hof, valt de leeuwenkuil uit de toon.

Het bijbelse verhaal van Daniël in de leeuwenkuil is een jonge variant op een traditionele Oosterse vertelling. Uit de periode rond 1400 v.C. stammen de vroegste sporen van dit klassieke verhaal, dat ik gemakshalve de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar zal noemen. Het is het verhaal van een man die op grond van zijn kennis en wijsheid groot aanzien verwerft aan het hof. Als rechterhand van de koning wordt zijn advies in allerlei zaken gevraagd. Totdat zijn collega's erin slagen hem met verdachtmakingen en roddel in een kwaad daglicht te stellen. Hij valt in ongenade, en de koning zendt hem weg. Zijn ontslag is het begin van een reeks van rampen: eenzaamheid, armoede, ziekte - met als enig uitzicht de dood. Totdat God zich ontfermt over de geleerde. Deze herstelt van zijn ziekte, krijgt zijn bezittingen terug, wordt van alle blaam gezuiverd, en maakt een comeback aan het hof. De naam van de hofbeambte varieert, evenals die van zijn god: hij draagt exotische namen als Shubshimeshreshakkan, Achiqar, Jozef, of Daniël, en zijn god heet Marduk, Here der heerscharen, of simpelweg God.

Afgezien van Daniël komt in geen enkele variant van de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar een leeuwenkuil voor. Leeuwen daarentegen wel. De geleerde is niet alleen aan het hof. Hij heeft collega's die zich allesbehalve collegiaal opstellen. Uit rivaliteit en afgunst brengen zij hem in een onhoudbare positie. Zij zijn de leeuwen waartegen de geleerde het heeft op te nemen, en zolang zij hun gang gaan is het hof een ware leeuwenkuil. Overdrachtelijk, wel te verstaan. Maar wat in de traditie als beeldspraak fungeerde, is in het boek Daniël in letterlijke zin geduid. Hoe komt dat?

Om het verhaal van Daniël te kunnen plaatsen in de oosterse verteltraditie is het nodig wat langer stil te staan bij enige details van de beschrijving. De gebeurtenissen spelen rond 540 v.C., de tijd dat het Babylonische wereldrijk plaats moet maken voor de Perzen. Daniël zou zowel de Babylonische vorsten Nebukadnezar (604-562) en Belsazar (542-539), als Darius de Meder hebben gediend. Dat het niet om een strikt historische beschrijving gaat is duidelijk, al was het maar omdat de belangrijke koning Nabonidus (556-539) overgeslagen wordt, terwijl Darius de Meder als zodanig een fictief personage is.

Het fictieve karakter van het verhaal doet echter niet af aan de opmerkelijke kennis van zaken van de schrijver waar het de positie van geleerden aan het oosterse hof betreft. Daniël behoort tot de 'wijzen van Babylon'. Vanwege zijn uitmuntende verstand en wijsheid had Daniël het gebracht tot hoofd (rab) van de magiërs, bezweerders, astrologen en waarzeggers. Als tekenen van zijn waardigheid droeg hij een purperen mantel en om de hals een gouden keten. Deze mededelingen passen uitstekend in het beeld van het hofleven zoals dat naar voren komt in Assyrische spijkerschriftteksten uit die tijd.

De carrière van Daniël kwam in een crisis kort nadat Darius koning was geworden. Daniëls geleerde collega's zagen hun kans schoon om van hem af te komen. Inspelend op de ijdelheid van de nieuwe heerser lieten zij hem een verbod uitvaardigen enige god of mens te aanbidden dan de koning; wie zich daaraan niet hield, werd zonder pardon in de leeuwenkuil geworpen. Daniël was een vroom man, en hij trotseerde de koninklijke maatregel. Drie maal per dag stelde hij zich op voor de open vensters van zijn woning, aan de kant van Jeruzalem, en bad tot God. Het vervolg is bekend. Zijn vroomheid kwam hem te staan op veroordeling tot de leeuwenkuil.

De geleerden aan het hof voeren onderling strijd om invloed en prestige en de beste baantjes. In hun brieven aan de koning nemen zij geen blad voor de mond als er een mogelijkheid is een collega in diskrediet te brengen. In de bewaard gebleven archieven van het Assyrische hof is bijvoorbeeld deze brief te vinden:

“Wie aan mijnheer de koning heeft geschreven dat Venus zichtbaar is in de maand Addar is een prutser, een nitwit, en een oplichter. (...) Waarom vertelt iemand leugens en laat er zich op voorstaan? Bij gebrek aan kennis moet hij zijn mond houden. Mijnheer de koning moet hem zonder aarzelen maar meteen promotie laten maken.”

Het laatste advies is sarcastisch bedoeld. Promotie en demotie zijn intussen wel een preoccupatie van de wijzen aan het hof. Combines, gevlei naar boven en trappen naar beneden, insinuaties en brutaliteit - geen middel wordt geschuwd om ten koste van collega's bij de koning in een goed blaadje te komen. In een wereld bestuurd door hogere machten is juiste informatie over de wil en de bedoelingen van de goden, evenals de manieren om hen te beïnvloeden, van vitaal belang. Verkeerde voorlichting levert grote risico's op. Een koning zal beschuldigingen van onkunde of misleiding daarom ook niet snel als lasterpraat afdoen; vaak lijkt het beter het zekere voor het onzekere te nemen en de geleerde in kwestie te ontslaan.

Er bestaat een bekende klassieke wijsheidstekst uit Babylonië. Deze tekst, naar de openingswoorden Ludlul bel nemeqi of kortweg Ludlul geheten ('Ik wil prijzen de Heer der Wijsheid'), is te beschouwen als de canonieke versie van de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar. De held van het verhaal heet Shubshimeshreshakkan - mogelijk een historische figuur levend rond 1300 v.C.

Naar de vorm is Ludlul een monoloog waarin de ongelukkige ambtenaar zijn levensloop vertelt om uit te komen bij de lofverheffing van zijn god die hem ten slotte in zijn vroegere glorie heeft hersteld. De tekst is een leerdicht dat laat zien dat God de vromen beloont. Voor het zover is moet Shubshimeshreshakkan echter eerst door een dal van diepe ellende. Het begon ermee dat zijn god en zijn godin hem in de steek lieten; de onzichtbare machten die zijn leven tot dan toe hadden beschermd zochten een andere protégé. Vanaf dat moment kon het onheil toeslaan.

“De koning, vlees van de goden en zon voor zijn onderdanen, kreeg een afkeer van mij; hij was onvermurwbaar. De hovelingen gaven op mij af, zij spanden samen om mij kwaad te berokkenen. De eerste sprak: Ik breng hem tot zelfmoord; En de tweede zei: Ik zorg dat zijn post vacant raakt; Evenzo de derde: Ik zal zijn positie overnemen. Ik neem bezit van zijn huis, bezwoer de vierde. Terwijl de vijfde diep ademhaalde, lieten de zesde en de zevende zich uit in gelijke zin. De kliek van zeven bundelde de krachten, meedogenloos als de razende storm, aan demonen gelijk. Eén van geest en één van zinnen gingen zij tegen mij tekeer, zij stonden in vuur en vlam. Zij sloten zich tegen mij aaneen met laster en leugens.

In Ludlul nemen de zaken ten slotte een keer ten goede. De god Marduk, de Heer van de Wijsheid, geneest de ambtenaar van alle ziekten en bewijst zijn onschuld door middel van een godsoordeel. In ere hersteld prijst Shubshimeshreshakkan zijn god met de volgende woorden:

“Hij die me heeft geslagen, Marduk, heeft mij ook weer opgericht. Hij sloeg de hand van mijn tegenstander, Marduk ontnam hem zijn wapen. Marduk muilkorfde de leeuw die mij verscheurde, Marduk ontdeed mijn achtervolger van zijn slinger, en keerde de vlucht van (zijn) steen.”

De opeenstapeling van beelden maakt duidelijk dat de tegenstanders van de ambtenaar mensen waren; de metafoor van de leeuw staat er geïsoleerd tussen. De rest van Ludlul laat zien dat het om minstens zeven vijanden ging. Omdat zij als groep opereerden ('één van geest en één van zinnen') kunnen zij achteraf als één achtervolger worden voorgesteld. Zij worden vergeleken met een leeuw, en de redding van de ambtenaar is te danken aan Marduk die de leeuw muilkorft.

De populariteit van de leeuwenmetafoor blijkt onder meer uit een latere tekst die een aantal gevleugelde zinnen uit de Babylonische literatuur citeert. Tussen aanhalingen uit een formuliergebed en een scheppingsmythe komt uit Ludlul precies dit ene citaat: 'Marduk muilkorfde leeuw'. Dezelfde regel komt eveneens voor op een schoolcommentaar uit de Assurbanipal bibliotheek te Nineve.

De geschiedenis van Daniël aan het oosterse hof vertoont onmiskenbaar gelijkenis met de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar zoals verteld in Ludlul. De gelijkenis is zo frappant, dat de vraag zich opdringt of de schrijver van het bijbelverhaal geen gebruik heeft gemaakt van een Babylonisch voorbeeld.

Op het eerste gezicht lijkt dat wel een erg grote sprong. Naar algemeen wordt aangenomen leefde de auteur van het boek Daniël in Palestina, in de vroege 2e eeuw v.C. De geschiedenis van Daniël in de leeuwenkuil is waarschijnlijk ouder; een ontstaanstijd in de late 4e of vroege 3e eeuw v.C. is goed denkbaar. Toch blijft de afstand groot. Het centrum van de Babylonische cultuur ligt ver naar het oosten, en de bloeitijd van de Babylonische literatuur ligt eeuwen terug. Maar schijn bedriegt. Het is opmerkelijk dat juist in die periode van de joodse geschiedenis, waarin het hellenisme zijn stempel zet op de cultuur, er een opleving is in de belangstelling voor de oude oriëntaalse erfenis. Die belangstelling heeft zich in Palestina ook uitgestrekt tot werken en figuren uit de Babylonische en Assyrische cultuur.

Er zijn vele voorbeelden van oosterse verhaalmotieven gebruikt door joodse auteurs. In de hellenistische periode, van zo'n driehonderd jaar v.C. tot het begin van onze jaartelling, komen dergelijke ontleningen opvallend vaker voor. Dat feit maakt de veronderstelling dat ook de auteur van het boek Daniël voor zijn verhaal geput heeft uit Babylonische bronnen minder vergezocht dan wel lijkt. Daarbij hoefde de schrijver zich niet te beperken tot één variant van de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar. Behalve Ludlul waren er ook een Oudbabylonische voorloper, teruggevonden aan de Syrische kust; de onder joden bekende Achiqar-roman; de Jozef-novelle, die in het Midden-Oosten in verschillende vormen is overgeleverd; en wie weet onder welke overige gedaanten de geschiedenis van de aangeklaagde en gerehabiliteerde hoveling bij de schrijver bekend was - in mondelinge of schriftelijke vorm.

De auteur van de geschiedenis van Daniël als geleerde aan het Babylonisch-Perzische hof heeft een eigen variant geproduceerd van de Geschiedenis van de Ongelukkige Ambtenaar. Zijn opzet is duidelijk. Hij is niet zozeer geïnteresseerd in de legendarische figuur van Daniël, als wel in de moraal van zijn verhaal. Wie onder vreemde overheersing zijn religieuze plichten blijft vervullen en zo de joodse identiteit bewaart heeft geen gevaar te duchten. God is zelfs in staat hem te redden uit de muil van de meest bloeddorstige leeuw, zoals uit Daniëls lotgevallen blijkt.

Het motief van de leeuwenkuil ontleende de bijbelse auteur ten slotte aan Babylonische bronnen. Daarin stonden de leeuwen echter niet voor dieren maar voor mensen. En hoewel het beeld van de verscheurende leeuw voor aanklagers en lasteraars ook in het bijbelse idioom wel bekend is, nam de auteur het letterlijk op. Moedwil of misverstand? Ik houd het op het eerste. Ook al zou de joodse auteur een fragmentarische kennis van zijn Babylonische voorbeeld hebben gehad, er kon nauwelijks twijfel over bestaan dat de leeuwen en de leeuwenkuil beeldspraak waren. Een beeldspraak waarmee hij bovendien, via zijn eigen traditie, niet onbekend was. De keuze om het beeld letterlijk te nemen lijkt ingegeven door de wens een vroom verhaal van extra dramatiek te voorzien. Daarbij dacht de schrijver misschien ook aan koning David, van wie de traditie zegt dat God hem redde uit de klauwen van de leeuw en de klauwen van de beer. Daniël deed niet onder voor David.

Met de Hebreeuwse bijbel namen de eerste christenen ook allerlei bijbelse beeldspraak van de joden over. De redding uit de muil van de leeuw hoort bij die erfenis. Een onbekende schrijver maakt er gebruik van in een leerbrief die in het Nieuwe Testament aan Paulus wordt toegeschreven. Paulus, groot propagandist van het nieuwe geloof, wordt verondersteld te schrijven vanuit de gevangenis in Rome. De autoriteiten hebben zijn eerste verdediging gehoord, en tot dusverre heeft hij ze weten te overtuigen van zijn onschuld. Die voorlopige overwinning schrijft hij toe aan Gods hulp: “De Heer heeft mij terzijde gestaan en kracht gegeven (...) en ik ben uit de muil van de leeuw gered.” (2 Timotheüs 4:17) De schrijver bedoelt niet dat hij tegen leeuwen in de arena heeft moeten strijden. De leeuw uit wiens muil hij gered is staat voor zijn menselijke tegenstanders, en uiteindelijk voor de macht die hij daarachter aan het werk ziet, de duivel zelf. Gaat de duivel niet rond 'als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden', zoals het Nieuwe Testament leert?

mailIcon print |