Als ik van Duitsland houd, dan heb ik die liefde opgelopen in Israël. Jekkes heten ze daar, de Duitse Joden die nog net voor de grote ramp naar Palestina wisten te ontkomen. Ze zijn oud geworden en met weinigen meer, maar anderhalf decennium geleden kwam je ze nog regelmatig tegen. Ik herinner me die keer, dat ik met Christoph iets in de haven van Haifa te zoeken had. We zagen onmiddellijk dat we met een Jekke van doen hadden. Toch openden we hoffelijkheidshalve met enkele hakkelende woordjes Hebreeuws, gevolgd door een moeizaam dialoogje in het Engels, tot de man vroeg of we misschien ook gewoon Duits wilden praten. Ik denk ook altijd graag aan dat koffiehuis in Haifa, waar je Die Zeit en Der Spiegel kon lezen.
Maar met de meeste vertedering denk ik toch altijd terug aan meneer O. in Naharieja. Hij woonde in een groot huis. Hij was een succesvol zakenman of industrieel, dat kon je wel zien. Maar daar wenste hij met geen woord over te spreken. Hem ging het om de wereld van de geest. En die geest uitte zich in het Duits. Zelfs voor wat betreft het dagelijks nieuws, dat via de Deutsche Welle kwam. Maar natuurlijk vooral in de vele boeken waarmee O. zich had omgeven. Als wij jongeren langs kwamen, lagen de boeken al klaar met briefjes bij de belangrijke passages. Vooral Karl Jaspers genoot het respect van meneer O. Altijd als ik de naam van Karl Jaspers tegenkom, moet ik even aan meneer O. denken. En aan al die andere Jekkes, de Allerduitste Duitsers die ooit op deze aarde hebben rondgelopen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.