De rij bijnamen van Max van den Berg lijkt schier oneindig. Voor elke periode is wel een - vaak weinig vleiende - karakteristiek te vinden. Aan zijn periode als wethouder van Groningen hield hij de benaming 'de ayatollah van het noorden' over. Zijn voorzitterschap van de PvdA leverde hem vergelijkingen met Raspoetin en Machiavelli op.
De algemeen directeur van de Novib heeft in de twaalf jaar bij die ontwikkelingshulporganisatie nog geen bijnaam weten te verwerven, maar 'pleitbezorger voor het zuiden' zou hem niet misstaan. Niet dat hij die naam exclusief kan claimen; Nederland heeft vele organisaties die zich de leniging van nood in ontwikkelingslanden ten doel stellen. Die organisaties laten zich langs twee wegen opdelen: langs levensbeschouwelijke lijnen en op grond van de vorm van de hulp. De boom telt wellicht wat te veel loten en zeker nu het (internationale) bedrijfsleven ontwikkelingshulp gaat herkennen als een fraaie wegbereider voor investeringen, worden er met regelmaat vraag- tekens geplaatst bij de overdaad en de effectiviteit van het aanbod.
Is de hulpverlening via katholieke, protestants-christelijke of humanistische organisaties nog wel van deze tijd? Er komt uit een katholieke waterpomp geen ander water dan uit een protestants-christelijk exemplaar. En vrijwel alle Nederlandse hulporganisaties zien brood in het verstrekken van micro-kredieten aan groepen van producenten, vooral vrouwen, om de lokale economie en dus de levensomstandigheden wat te verbeteren. Is concentratie van activiteiten niet geboden?
Van den Berg: “Ik zie niet veel in een verdere samenvoeging van de vier clubs, Hivos, Novib, Icco en Bilance. Wat is de meerwaarde? Het zijn vier clubs die behoorlijk gescheiden in de Nederlandse context zijn gebed en die ook overzee toch wel verschillende smaken hebben. Dat loopt niet altijd via religieuze denominaties, soms wel. Maar wat is de meerwaarde om van die vier smaken een uni-smaak te maken? Je vraagt toch ook niet aan D66, PvdA, VVD en CDA als representanten van de democratie te fuseren tot één club? Het helpt het politieke proces niet, er is dan niets te kiezen. Dat geldt hier ook. Het zou iets anders zijn als deze organisaties niet gebonden zijn aan beheersing van de overheadkosten en je zou kunnen zeggen: jullie zijn veel te duur. Maar ik zou nog wel eens een balletje durven opgooien over de kosten van overheidsbemoeienis, laat staan over de kosten van bijvoorbeeld de Indiase overheidsbureaucratie. Dat wil niet zeggen dat Icco en de Novib niet dezelfde ambachtelijke instrumenten gebruiken. De deur wordt op een bepaalde manier in het huis gezet. Het spaarsysteem is in Nederland gelijk, maar toch hadden we behoefte aan verschillende banken, zo ligt dat.”
“De Novib is ontstaan uit de doorbraak van de verschillende denominaties. Wat mensen uit de PPR-hoek, maar ook mensen als Prins Bernhard. Het ging vooral om goede bedoelingen en om iets terug doen voor de steun van de rest van de wereld na de watersnoodramp van 1953. Het ging om mensen die niet meer binnen hun eigen zuilen leefden. Dat was op zich uitzonderlijk, want je praat over de jaren vijftig en dat was ook de periode waarin de bisschoppen verboden op de PvdA te stemmen. De zuilen waren toen nog heel hard. Wat dat betreft zijn wij een fenomeen van een heel vroege doorbraak van de zuilen. Je moet mij dus niet vragen de fundering voor elk van de andere clubs ter discussie te stellen.”
Is steun onder voorwaarden aan overheden niet effectiever? Veel goed geld is weggelekt doordat lokaal wel veel gebeurde, maar uiteindelijk de structuur van een ontwikkelingsland niet veel veranderde.
“Wij kunnen als particuliere organisatie in Bangladesh met lokale organisaties voor arme mensen onderwijs opzetten. Zodra je dat als Nederlandse overheid doet, kom je bij de overheid van Bangladesh uit en dat betekent dat er scholen komen met vijftig procent drop-outs en de meisjes niet worden toegelaten. Dat is de meerwaarde van een particuliere organisatie.”
De vier medefinancieringsorganisaties, Hivos, Novib, Icco en Bilance, verenigd in het Gemeenschappelijk Overleg (Gom), wordt wel eens verweten zich te gedragen als een kartel, het Gom-kartel. Die kritiek komt met name van groeperingen die zich net als het viertal willen profileren als medefinancieringsorganisatie. Een groep, het ging om hindoestaanse Surinamers, toog onlangs zelfs naar de rechter om zich tussen het viertal te wurmen.
Is er sprake van een Gom-kartel? De Gom-partners krijgen meer dan 600 miljoen van de overheid en kunnen onderling overleggen over de verdeelsleutel van die gelden.
“Een kartel zou betekenen dat wij die anderen kunnen buitensluiten. Dat is een groot misverstand en bovendien gaat er buitengewoon veel geld naar andere niet-gouvernementele organisaties zoals het Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen en ook naar buitenlandse clubs. Er is geen sprake van een kartel. Ik laat me dat ook niet aanpraten. Als je ziet hoeveel geld we reserveren voor samenwerking met anderen, dan is er ook helemaal geen sprake van. We zijn een tent die open is en gericht is op samenwerking met anderen. Ik snap wel waarop wordt gedoeld. De vier hebben nu eenmaal een gezamenlijke regeling en daar is overleg over. Maar we houden geen mensen af omdat ze er niet bij mogen.”
Zou de groep niet effectiever worden als de onderlinge concurrentie wordt uitgebreid met een vijfde organisatie? Of moet je geheel af van die onderlinge afstemming en gaan naar het Brusselse model waarbij geld simpelweg wordt gegeven aan het beste project, ongeacht de organisatie die zich daaraan verbindt?
“Dat is nu precies het goede voorbeeld. Brussel is geweldig succesvol”, zegt Van den Berg cynisch. “Tegen de tijd dat Brussel zo succesvol is als de gemiddelde kwaliteit van onze programma's wil ik daar nog wel een keer over praten. Maar dan zij we wel een eeuw verder. Dat werkt gewoon averechts. Wij opereren niet op basis van marktkosten, maar tegen heel lage kosten met lokale clubs die dingen doen tegen extreem lage kosten. En er blijft heel weinig hangen aan de strijkstok. Je kunt niet zeggen: 'doe het maar op commerciële basis en ga het maar via de regels van de competitie doen zoals door het uitschrijven van tenders'. Denk je dat die zuidelijke clubs dat zo willen? Denk je dat de belangrijke relaties met de partners dan in stand blijven? We zijn nu eenmaal een apart soort bedrijven. We nemen medeverantwoordelijkheid, samen met de overheid en zo moet je ons ook behandelen.”
“Mijn betoog is dat er niet een vijfde, zesde of zevende medefinancieringsorganisatie bij moet. Dan versnipper je alleen maar. Het hele beeld van afgeschermdheid van de sector is in strijd met de feiten. Het beeld wordt misschien opgeroepen omdat we deel zijn van die regeling. Aan de andere kant we zijn zo transparant als de pest. In de jaarverslagen moet elke gulden worden verantwoord. Af en toe roep ik wel eens 'mag ik iets uit de evaluaties ook nog in de praktijk toepassen voordat we aan de volgende evaluatie beginnen?' ”
Is die Nederlandse structuur uniek?
“In België kennen ze die structuur niet, daar zit de overheid met allemaal individuele projecten en individuele organisaties. En ik kan je wel zeggen: dat is rampzalig. Slecht in kwaliteit, slecht in evaluatie, het is allemaal politiek van vriendjes en relaties. Er zit daar geen enkele structuur in de hulp en geen ambachtelijke kwaliteiten achter de programma's. Wat dat betreft wordt er met grote bewondering gekeken naar Nederland. Het is op zich natuurlijk vrij uniek dat de Nederlandse overheid geld geeft aan bepaalde clubs die elkaar keihard controleren. Maar dat idee geeft ook een bepaalde vorm van volwassenheid van de democratie aan.”
Vorig jaar is Cordaid opgericht, de optelsom van Mensen in Nood, Memisa en Bilance. Dat betekent dat noodhulp, opbouw van medische voorzieningen en structurele hulp bij armoedebestrijding onder een koepel zijn gebracht.
Van den Berg: “Dat is een zinnige benadering. Maar dan moet je wel letten op de afzonderlijke karakteristieken van de onderdelen. Noodhulp heeft een ander ritme en ander tempo dan structurele hulp. Wat wel gebeurt is dat die twee vormen door elkaar heen lopen. Ik heb het idee dat bij Cordaid dat op een goede manier gebeurt. Ik herinner me uit de kampen van Rwanda dat het essentieel was dat de onderwijzers uit de dorpen weer onderwijs gaven in de vluchtelingenkampen. Daarmee bereid je de mensen weer voor op hun terug- keer.”
“Maar er zijn ook buitenlandse organisaties die niet overleggen, die hebben geen aandacht voor elkaar en drukken de anderen weg. Zo werken wij veel samen met Artsen zonder Grenzen of Amnesty International. Wat zij niet kunnen doen, kunnen wij wel en andersom, zeg maar het dakpannensysteem. Je hoeft daarvoor niet in één pand te zitten, dat loopt door organisaties heen. Er is zeker sprake van een ontschotting. Blinde noodhulp is slechte hulp. De aanbieders van pakketten moeten iets van elkaar kennen. Je kunt niet hebben dat een medische organisatie gratis medicijnen loopt uit te delen terwijl een andere net een groep heeft geleerd dat er ook een kleine eigen bijdrage moet zijn.”
Overdaad aan hulp kan schaden. Bolivia is een voorbeeld van een hulpverslaafd land. Zo ongeveer elke afgestudeerde Boliviaan richt een bureau op en probeert eerst te weten te komen welk formulier hij moet invullen om aan buitenlands hulpgeld te komen. “Ik weet zeker dat de Nederlandse ngo's daar niet aan meedoen. Bij ons staat het ambachtelijke voorop. Wij kijken wel uit dat hulp geven doel op zich wordt, als een bedrijfstak met werkgelegenheid. Er wordt inderdaad hulpgeld verstrekt zonder het doel armoedebestrijding. USAid loopt de boel te verknoeien. Die gebruiken hulp vaak voor heel andere doelen, zoals drugsbestrijding.”
“Het beeld moet niet te somber zijn. Er zijn internationaal ook successen te melden. Als je kijkt naar voedselzekerheid, dan wordt er geen Europees voedsel meer in het zuiden verkocht, waardoor de markt daar wordt verstoord. Het Europese beleid is er steeds meer op gericht dat voedsel ofwel lokaal wordt verbouwd of dat het voedsel voor de hulp regionaal wordt ingekocht. En dan moet ook het soort voedsel zijn dat in die streek past. Dat vind ik een succes door lobbywerk waar Nederland in voorop heeft gelopen. Af en toe loopt dat door bijvoorbeeld de Amerikanen toch fout. Die hebben vaak geopolitieke doelen die ernstige verstoringen van de markt veroorzaken. Wij zoeken dan contact met Amerikaanse ngo's die vervolgens lobbyen zodat ermee wordt gestopt. Soms moet je dan vechten met het Amerikaanse congres. En dat valt niet mee, want dat is een erg naar binnen gekeerde club. Maar de Wereldbank of de regionale banken zijn daar veel toegankelijker voor. Die beschikken over veel meer kennis van ontwikkelingssamenwerking.”
“Die kennis is afkomstig uit een klein deel van Noordwest-Europa en die is zich nu aan het verspreiden. En waar Bolkestein geen minister van ontwikkelingsamenwerking meer wil hebben, zijn er steeds meer landen die hem wel hebben. Ik ben het ook niet met Pronk eens, die vindt dat het een minister moet zijn die over alles gaat. Nee, het moet een minister zijn die opkomt voor de belangen van de allerarmsten. Een op de vijf mensen op de wereld is uitgesloten van de meest basale dingen. Dat die belangen worden gewogen, is essentieel. Als er niet meer iemand als minister van ontwikkelingsamenwerking aan tafel zit, dan betekent dat een besluit tot degradatie van dat onderwerp. Dan zeg je: 'armoedebestrijding is niet belangrijk genoeg meer, trapje lager'. En in Nederland hebben we nu juist ontwikkelingsamenwerking die internationaal groot aanzien heeft.”
Twintig jaar geleden was ontwikkelingssamenwerking nog een onderwerp voor heftige politieke debatten. De jongste begroting is echter zonder al te veel gedachtenwisselingen behandeld. Dat kan erop duiden dat het onderwerp politiek dood is, zoals Paul Hoebink van het Derde WereldCentrum van de KU Nijmegen onlangs op de podiumpagina van Trouw beweerde. Of is internationale samenwerking breed geaccepteerd en is er daarom geen debat nodig?
Van den Berg: “De fondswerving van de Novib is dit jaar met vijf procent gegroeid. Er is dus belangstelling. Los daarvan toont de Nederlandse samenleving zich buitengewoon betrokken. Dat zijn de feiten. Er is een overweldigende meerderheid die tegen bezuiniging is op ontwikkelingsamenwerking. De mensen zijn wel sceptisch over de resultaten en hebben meer vertrouwen in de hulp als mensen in het zuiden zelf de zaken aanpakken, zoals ook gebeurt. Het politieke debat is wat minder, maar er is wel een brede steun. Er is meer erkenning van de economische kanten van de hulp. Dat moet leiden tot meer investeringen in het zuiden. Dat is effectiever dan dat er geld wordt uitgetrokken voor de exportbevordering. De arme landen beneden de Sahara zijn zeer gebaat bij investeringen. Dat levert daar werkgelegenheid op. Wat ik zie gebeuren, is toch een trendbreuk naar nieuw beleid. Het gaat niet zozeer meer om hoeveel geld er in gestopt wordt, maar vooral wat de resultaten zijn. Het debat heeft andere kleuren dan in de jaren zeventig. Wat is het kenmerk nu? Minder mensen hebben nu zin om verdelingsvraagstukken aan de orde te stellen en dat is jammer. Dan moeten degenen die dat wel van belang vinden, daarvoor andere termen zien te vinden. Misschien moeten we niet meer praten over de verdeling van de centen in de wereld, maar meer in termen als: 'waarom hebben veel mensen geen recht om naar school te gaan?' Dat is een andere benadering. Kijk eens hoeveel meisjes ontzettend worden achtergesteld en maak dat eens wat specifieker. Zeventig procent van de allerarmsten is vrouw.”
Jarenlang is getracht een verschijnsel als corruptie te bestrijden met morele wapens. Die strijd blijkt veel effectiever als corruptie niet als amoreel, maar als kostenverhogend en dus inefficiënt wordt gedefinieerd. Is het mogelijk armoedebestrijding met economische wapens te lijf te gaan? Meer in termen als ongebruikt arbeidspotentieel of miskenning van een grote groep consumenten?
Van den Berg: “Ik vind dat moraliteiten er wel degelijk iets toe doen. Ik kom uit een oude bestuurlijke klasse van sociaal-democraten die in het wethouderssocialisme zaten en ik heb het nooit in mijn harses gehaald om iets te doen wat niet paste in de opdracht die ik van de kiezers had gekregen. Op het moment dat moraliteiten niet meer tellen en het graaien begint, dan kun je dat niet alleen meer met formele regels bestrijden. Dan heb je daar ook normen en waarden voor nodig. Dat geldt niet alleen voor Nederland, maar ook voor Chili, Nigeria. Je moet dus twee dingen tegelijk doen. Regels stellen en tegelijkertijd ook elkaar aanspreken op normen en waarden. Je moet elkaar minder geloven op de blauwe ogen, maar ook bij elkaar de nieren proeven. De vraag is of de wereldgemeenschap die visie kan opbrengen. En of er leiders komen met de visie dat de geldstromen in de wereld verschoven moeten worden. Al die conflicten die binnenstatelijk zijn en waarvan we later de rekening gepresenteerd krijgen in de vorm van oorlog en migratie, zijn verrekte sterke argumenten om economisch ook wat te veranderen. Anders is die noodhulp steeds maar weer het paard achter de wagen spannen.”
“De echte discussie, internationaal, is dat er zonder sociale ontwikkeling geen sociale samenhang is en zonder sociale samenhang is er geen harde gulden. Dat zie je in Indonesië en Zuid-Korea, die landen draaien niet. Het is een misverstand om te denken dat het alleen maar kan via de kant van de economische groei. Een van de verklaringen voor de economische crisis in Zuidoost-Azië is dat er geen sociale samenhang is. Er is oorspronkelijk veel geïnvesteerd in sociale ontwikkeling, maar vervolgens is er een enorme verkwisting van sociale samenhang geweest. Natuurlijk is het niet zo dat democratie automatisch tot economisch groei leidt en economische groei niet automatisch tot democratie, maar economische en democratische processen kunnen elkaar wel versterken. Daar hoort een eerlijke verdeling bij en ook dat de top van de samenleving zich niet ongebreideld kan verrijken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.