Was het echt wel Balk? In het Friese plaatsje zullen ze volhouden dat Herman Gorter daaraan dacht toen hij een eeuw geleden zijn beroemde natuurgedicht 'Mei' begon met de regels: Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit dat ik vaak hoorde voor een zomernacht in een oud stadje, langs de watergracht.
De grootvader van de Tachtiger was predikant in Balk en de jonge Herman heeft geregeld gelogeerd in de doopsgezinde pastorie aan de Luts. Het beeld van het 'oude stadje langs de watergracht' moet hij daar dus wel hebben opgedaan, denken de Balksters. Ze hebben dan ook een beeldje van hem laten maken - een eenvoudig mannetje, vanwege het kleine formaat nog ieler dan hij in werkelijkheid moet zijn geweest. Hij staat en staart, in zomer en winter, tussen de bermuda's torsende toeristen en de ijsmutsen van het schaatserslegioen. Een dichter in brons, door vandalen beroofd van zijn dunne brilletje.
In 't huis was 't donker, maar de stille straat vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat nog licht, en viel een gouden blanke schijn over de gevels in mijn raamkozijn.
Balk dus. Of Sloten, in tegenstelling tot Balk wel een echt stadje en een veel imposantere watergracht? Of Amersfoort, waar Gorter leraar oude talen was aan het Stedelijk Gymnasium? Pake Douwe stierf in zijn pastorie in 1876, de lytse Herman was toen pas twaalf: zou hij van die tijd zich twintig jaar later nog de beelden herinneren in de 'Mei'?
Domme vraag, zullen ze in Balk denken, waar ze al net zo'n hekel aan hebben als Gorter in zijn tijd als leraar. Probeer ook niet te weten te komen waarom Balk nu Balk heet, want dat zegt de naam toch: een balk over de sloot in het pad tussen Wijckel en Harich. Een plank over de stroom die nu Luts heet en gracht is. Balk is er groot door geworden, want het leven in de beide dorpen ver-plaatste zich naar dat stuk hout dat een kruising van wegen werd. Daar ontstond handel. En voordat ze het in Wijckel en Harich in de gaten hadden, groeide Balk uit tot een 'cierlijke ende neeringhe plaetse'. Een oud rijmpje zegt nog dat wat er in Balk verdiend werd eigenlijk voor de ene helft aan Harich toebehoorde en voor de andere aan Wijckel, maar daar hebben ze aan weerszijden van de Luts maling aan. Tot het begin van deze eeuw werd er nog wel gesproken over de Harichster en de Wijckeler Side (zijde) van het water.
Het is Mei, het is dus Gorter en het is Balk. Daar waar de dichter staat en de balk al lang vervangen is door een ijzeren brug, beginnen we een wandeling om net als de dichter te genieten van een nieuwe lente en een nieuw geluid. Alleen iets korter dan Gorter. We nemen de noordkant van de Luts, de Meerweg dus (waar Herman bij pake en beppe logeerde), en lopen in de richting van het Slotermeer. Er staan opvallend rijke huizen langs de gracht, een erfenis van de bloeiende 'neeringhe' in de vorige eeuw. Tot in Engeland en Frankrijk werd er met boter uit Balk gebraden. In het dorp werd levendig in zuivel gehandeld, de Boterwaag had een grote aftrek. Balk bulkte van de herbergen, de Balkster brandewijn vloeide rijkelijk. De opkomst van de zuivelfabrieken en de geisoleerde ligging van deze Friese regio deden de boternaam van Balk de das om.
Het is maar een klein eindje naar het Slotermeer. Helaas slokken een camping en een bungalowpark het uitzicht op het meer op. Pas als we die samenklontering van surfgrage en zeilminnende vakantiegangers voorbij zijn, stelt de ruime plas zich aan ons voor: zeilboten tot aan de horizon. We lopen op de grens van donker water en groene weide. Tjiftjaf, fitis, kievit - 't is volop lente. Muggen zijn er ook, en vliegen en koeien en de lucht van natuur, in allerlei soorten. Zo mijmeren we het fietspad af tot aan de Wartensterwei en keren terug richting Balk. Niet helemaal. Na een nieuw type herenboerderij gaan we de Lorbuorren in en beklimmen na een rotonde de 'hoge rug' van Harich.
Het is een van die voordelen van Friesland dat zoveel kerktorens in het vlakke land je gids willen zijn. Zeker die van Harich, van baksteen opgetrokken bovenop een tufstenen kerkje en van binnen al even bijzonder door de graftombes van vooraanstaande families. Boven de ingang staat dat de kerk ooit 'door storrem-windt' geveld is, maar weldoeners hebben haar hersteld. Op het kerkhof toont de dood zich van z'n vredigste kant; zelfs de tijd lijkt de adem in te houden.
Het kost moeite om je uit de rust van Harich los te maken. Maar de route wacht. Door het Harichsterbos (over een oud kerkepad) en het Starnumanbos gaan we verder. Ook daarom heet Gaasterland de Lusthof van Friesland. In het bos aan de overzijde van de Luts heeft de varen de vrije hand gekregen, het paadje dat we volgen zal in de zomer vast minder ruim zijn. Opmerkelijk zijn de greppels die hier dicht naast elkaar gegraven zijn: eik en den moeten zich staande zien te houden op smalle dammetjes. Als het land weer opentrekt en we linksaf de Ruchhñsterwei opgaan, komen we bij het kerkhof van Ruigahuizen. De klokkenstoel is typerend voor de armoede waarin deze streek vroeger verkeerde. Geld voor een kerk had men destijds niet, er kon alleen een houten toren met een klok af. Terug naar Balk is maar een paar kilometer; wie trek heeft kan er nog een ommetje naar Wijckel aan vastknopen, het dorp waar Menno van Coehoorn z'n thuis had en uiteindelijk ook zijn rustplaats vond. Een indrukwekkend praalgraf van marmer houdt de herinnering aan deze vestingbouwer (onder andere Naarden en Bergen op Zoom) in ere.
De route naar Balk loopt wel via een doorgaande weg, maar in dit deel van het land is dat nog geen probleem. Dat wordt het op een drukke dag wel, als je voor het 17de-eeuwse raadhuis naast bronzen Gorter op de watergracht gaat staan. Dan kun je je niet voorstellen dat er ooit een uitdrukking heeft bestaan: 'Ik ga even op kousenvoeten naar Balk'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.