*

 
dossier

Archief

Waar blijven in de winter toch al die zomerdieren

HENK VAN HALM − 13/01/96, 00:00

Waar blijven de spinnen in de winter? Zijn alle mooie vlinders van de zomerdagen doodgegaan? Hoe zit het met de kikkers en de salamanders? En de vissen, hoe overleven die onder het ijs? Een lezeres vertelde me dat er karpers van ruim een halve meter vastgevroren zaten in het ijs. Een andere lezer meldde dat hij in een vermolmde tuinbiels vijf totaal verstarde kikkers had gevonden.

Vissen houden geen winterslaap. Ze houden zich dicht bij de bodem op en bewegen zich zo min mogelijk. Daardoor gebruiken ze weinig energie. Ook onder het ijs bevat het water genoeg zuurstof voor hun ademhaling. Waterplanten assimileren overdag koolzuur onder invloed van het licht dat door het ijs heen dringt en staan daarbij zuurstof aan het water af. Die waterplanten kunnen heel klein zijn, microscopische groenwieren bijvoorbeeld.

Groene kikkers en soms ook salamanders overwinteren weggekropen in de bodemmodder van kleine wateren. Omdat ze net als de vissen koudbloedig zijn, neemt hun lichaam de temperatuur aan van de omgeving, onder het ijs maar een paar graden boven nul. Ook zij gebruiken daarom maar heel weinig energie. En omdat die verbranding bijna nihil is, kunnen ze met heel wat minder zuurstof toe dan in de zomer. Ze hebben genoeg aan de zuurstof die via hun dunne huid uit het water in hun lichaam wordt opgenomen.

ZUURSTOFGEBREK Toch kunnen ze net als de karpers doodgaan onder het ijs. Als het ijs in ondiep water te dik wordt, bevriezen vissen, kikkers en salamanders. En daar kunnen ze echt niet tegen. Ook kunnen waterdieren stikken door zuurstofgebrek. Dat treedt bijvoorbeeld op als het water onder het ijs verduisterd wordt door sneeuw, hagel, ijsschraapsel of stof. Als er geen licht in het water doordringt, kunnen de waterplanten niet assimileren en gebruiken ze zuurstof voor hun ademhaling, net als de dieren. En dan is er al gauw sprake van zuurstoftekort en verstikking.

Maar die kikkers in die biels dan? Dat waren bruine kikkers. Die overwinteren doorgaans in verlaten muize- en mollegangen of in een flinke bladerhoop. Daar kan de temperatuur tot ver onder nul zakken. Niet alleen kikkers hebben daarmee te maken, ook padden, salamanders en heel veel lagere dieren zoals wormen, slakken, pissebedden en insekten.

Wormen, slakken, pissebedden, duizend- en miljoenpoten en hooiwagens blijven vaak actief zolang het niet vriest. Zakt de buitentemperatuur onder nul, dan gaan ze over in een koudeverstarring, een toestand die we gewoonlijk winterslaap noemen, maar die weinig met slaap van doen heeft.

Voordat hun winterverstarring begint, scheiden zij veel water uit. Daardoor worden de vaste stoffen in hun bloed geconcentreerd. Wat in hun bloed aan water is overgebleven, wordt gebonden aan protoplasmacolloïden: hun bloed lijkt dan op antivries. Daardoor kan hun lichaam sterk worden onderkoeld. Zo kan de geelgerande waterroofkever -15 graden Celsius overleven, de wilgehoutrups -20 graden. Steekmuggen redden het nog bij -30 graden Celsius en de eieren van de plakker, een nachtvlinder, doorstaan zelfs -50 graden Celsius zonder schade. Het vriest in ons land nooit dertig graden op de beschutte plekken waar muggen overwinteren, in huis, in boxen, in schuren en stallen. De houtrups leeft in het binnenste van dikke boomstammen. De waterroofkever blijft onder water, onder het ijs, en daar zakt de temperatuur nooit onder het vriespunt, want dan zou het water bevriezen. De weerstand tegen kou van de plakkereitjes heeft alles te maken met de plek waar ze overwinteren: ze zitten open en bloot op boomtakken en -stammen geplakt.

IN DE OPEN LUCHT Veel insekten overwinteren zomaar in de open lucht zonder enige beschutting. De citroenvlinder is een van de eerste insekten die in het vroege voorjaar rondvliegen. Dit schijnbaar zo tere dier brengt de winter verstard hangend aan een takje door, tussen struikjes dicht bij de grond, waar het op een vergeeld blaadje lijkt. Vorst, sneeuw en ijzel deren de citroenvlinder niet.

De rupsen van de vliervlinder en veel andere spanners zijn even gehard. Ze blijven gewoon als een dood zijtwijgje zitten aan de takken waar ze in de zomer van aten, totdat het lente wordt. Dan hervatten ze hun vreterij naar de volwassenheid. De spanrups van de vliervlinder, die vaak op klimop zit, eet bij mild winterweer zelfs door van het altijdgroene klimopblad. Sommige spanrupsen overwinteren in schorsspleetjes. De spanrupsen van de bonte bessevlinder liggen als ze nog heel jong zijn, verstard tussen het afgevallen blad onder bessestruiken.

Veel vlinders overleven de winter als ei, zoals de plakker doet. Maar de meeste vlindersoorten brengen de winter door in het karakteristieke ruststadium van insekten, als pop. Veel rupsen spinnen een waterdichte en vaak goed gecamoufleerde cocon, waarin ze zich verpoppen. Andere kruipen voor de verpopping in de grond, waar ze een holte maken, die ze van binnen bekleden met wat los spinsel, dat genoeg is om regenwater aan de buitenkant van het kamertje te laten afvloeien.

Veel insekten brengen de winter in huis door. Ik noemde de muggen al. In ons onverwarmde toilet slaapt al vanaf begin oktober een dagpauwoog. De kleine vos en het roesje zijn in de winter ook vaak in huis te vinden, en verder wespekoninginnen, gaasvliegen en lieveheersbeestjes.

SLAAPZAKJE Tot in december nog weefde een kruispin haar web voor ons raam. Maar nu is ze weg, ongetwijfeld dood. Kruisspinnen paren in de herfst en leggen daarna hun eieren in een stevig spinsel op verborgen plekken. De donkere wolfspinnen, die al bij de eerste lentewarmte aan de slootkant rondrennen, overwinteren verstijfd tussen het dorre riet, dat op de oever ligt. De kwieke zwart en wit gestreepte springspinnetjes, die al in maart op zonbeschenen muren op de eerste vliegen jagen, spinnen een slaapzakje in een muurspleet, onder een vensterbank of achter loszittende schors. Krabspinnen behoren tot de geharde soorten. De vorst was nog maar net weg, toen er al weer vier op het verlichte raam rondliepen. Ze verblijven in de klimop onder het raam.

Een strenge winter is voor insekten, spinnen en andere geleedpotigen veel minder schadelijk dan een winter met koele en zeer koude dagen in snelle afwisseling. Veel insekten worden bij mild weer actief. Als dan de temperatuur snel daalt, is hun weerstand tegen kou aanmerkelijk minder dan wanneer de temperatuurdaling geleidelijk verloopt. Bij een snelle temperatuurdaling hebben ze niet de tijd hun stofwisseling aan te passen. In koele, vochtige winters sterven meer insekten in een enkele strenge vriesnacht dan in een lange strenge winter.

NATUUR DEZE WEEK Verschillende bolgewassen komen al boven de grond. Van de gewone vogelmelk zijn de punten van de grasachtige, wit generfde bladsprieten te zien. Het jonge frisgroene loof van het daslook lijkt op dat van tulpen. De gootvormige bladeren van de wilde hyacint zijn al een paar centimeter lang en in sommige tuinen staan de narcissen al een hand hoog. De sneeuwklokjes lieten in de tweede decemberhelft al grijsgroene bladtoppen zien. ù Op zonnige dagen krijgen veel vogels de lente in de kop. Dan koeren de Turkse tortels druk en baltsen de doffers met lange glijvluchten boven de daken van de huizen en de bomen van het park. Plotseling laait het kibbelen op van een hele troep mannetjesmussen om een schuw ineengedoken vrouwtje. De koolmezen hebben heel wat noten op hun zang. De bekendste varianten zijn een soort zaaggeluid, 'titu-titu-titu-titu-titu...', en het 'schiet-in-'t-vuur', dat minutenlang herhaald kan worden. Zingende zanglijsters hoor je tot in het hartje van de grote stad. ù Eenden voeren hun hofmakerij uit in de winter en het voorjaar. Daarom zijn de woerden in die tijd op hun mooist. De wilde eenden buiten de stad vormen tijdelijke paren, die samen op de oever rusten en elkaar kopknikkend in de juiste paarstemming brengen. De woerden in de parkvijvers gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Paringen lijken daar meer op verkrachting van de vrouwtjes, die vaak verre in de minderheid zijn. ù In de elzen zoeken troepjes putters voedsel. Ze komen ook in onze tuin. Deze week vond ik daar een ronde plek vol veren, overduidelijk van een putter, met citroengeel aangezette slagpennen en zwart met witte staartveren. Eroverheen was een grote kalkscheet gespoten. Een sperwer had de putter geplukt en opgegeten. Die sperwer was deze week erg actief in de buurt: in het speelbos achter het huis vond ik twee dagen later de resten van een kramsvogel. ù De vereniging De Oeverlanden Blijven!' heeft een mooie, in zwart-wit getekende kalender van 6 bladen uitgebracht met een knotwilgkop, een watersalamander, een waterlelie met kikker, een pad, kuifeenden en winter aan het Nieuwe Meer. De achterzijde geeft heel veel informatie over flora en fauna van de oeverlanden en een rooster van excursies het jaar door. De kalender kost _7,50 op giro 4068809 van De Oeverlanden Blijven, Amsterdam, met vermelding 'Kalender 1996'.

mailIcon print |