Duiveluitdrijvingen komen in Nederland niet veel voor. Toch wordt het landelijke secretariaat van de rooms-katholieke kerk enkele keren per week gebeld door mensen die zich door de duivel bezeten wanen en een exorcisme willen. De kerk zelf wil er niet al te veel woorden aan vuil maken. Maar inmiddels is wel een onderscheidingsteam gevormd dat in voorkomende gevallen kan bemiddelen.
De emeritus-pastoor behoort tot de zogeheten Charismatische Vernieuwing, een stroming binnen de kerk die een centrale rol toekent aan de gaven (charismata) van de Heilige Geest. Veel aanhangers van de beweging menen dat de Heilige Geest een concrete, goede macht is die kan worden ingeroepen om kwade geesten te verdrijven.
Vertegenwoordigers van de Charismatische Vernieuwing hebben de Nederlandse bisschoppen enkele maanden geleden verzocht om aanwijzing van een officiële exorcist in ieder diocees. De bisschoppen hebben dat verzoek niet ingewilligd. “Ieder bisdom is vrij in zijn aanpak”, zegt bisschop Ter Schure van Den Bosch. “Hier in Den Bosch zal van geval tot geval een priester worden aangewezen.”
De Charismatische beweging heeft inmiddels een zogenoemd onderscheidingsteam gevormd, vertelt woordvoerder Kees Slijkerman. Mensen die menen dat zij last hebben van duivels kunnen terecht bij dit team, dat bestaat uit een priester en drie leken. Het onderscheidingsteam schakelt zo nodig een arts of psychiater in. Als een duiveluitdrijving noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met de bevoegde bisschop. Die kan dan een priester-exorcist aanwijzen.
Een sober ingerichte kamer in een bakstenen kerkgebouw uit de jaren zeventig. De kerk staat in een winkelstraat, schuin tegenover een supermarkt. “Echte gevallen van duivelse bezetenheid zijn zeldzaam”, benadrukt de emeritus-pastoor, die zijn naam niet in de krant wil. Op beide boorden van zijn witte overhemd prijkt een speld met een zilverkleurig metalen kruis. Hij is nu ruim zes jaar actief als exorcist en heeft tien tot vijftien keer een duiveluitdrijving voltrokken.
“Vaak is het eerder zo dat iemand heel sterk door kwade machten wordt bekoord. Hij kan de verleiding om slechte dingen te doen dan moeilijk weerstaan.” Lang en intensief bidden is in een dergelijk geval meestal voldoende. “Dat doen we in de kerk. Als ze meebidden, weet je vrijwel zeker dat het geen echte bezetenheid is. Een bezetene zal God niet loven en prijzen. Dan wordt hij gek.”
Mensen van wie hij vreest dat ze echt bezeten zijn, neemt hij mee naar de sacristie. “Een exorcisme kan nogal wat lawaai opleveren, omdat de bezetene begint te schelden en te dreigen.”
Bisschop Bomers van Haarlem heeft de pastoor in 1992 toestemming gegeven voor het uitdrijven van duivels. En de bisschop schakelt de man nog geregeld in. Bomers: “Hij is een priester met jarenlange ervaring. Ik vertrouw op zijn pastorale inzicht en prudentie.” De bejaarde duiveluitdrijver baseert zijn strijd tegen de Boze rechtstreeks op de Bijbel. “Jezus heeft ook tientallen keren duivels uitgedreven.”
Nadat Hij aan de overkant in het land der Gadarénen was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat niemand langs die weg kon voorbijgaan. (...)
Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed. De boze geesten smeekten Hem en zeiden: Indien Gij ons uitdrijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen. En Hij zeide tot hen: Gaat heen! Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde de zee in en zij kwamen om in het water.
(Mattheüs 8: 28-33)
“Jezus heeft op het einde van zijn leven gezegd dat de gelovigen in zijn naam boze geesten zullen uitdrijven, en dat zij zieken zullen genezen door handoplegging. Lees het maar na in het evangelie van Marcus. Hij zegt het letterlijk.”
Volgens de priester zijn hypnose, transcendente meditatie en het geloof in reïncarnatie belangrijke oorzaken van duivelse bezetenheid, net als drugsverslaving, kinderporno en housemuziek. “Het is allemaal gericht op de ondergang van de mensen en het hele maatschappelijke leven.” Maar de grootste bedreiging is het allesoverheersende materialisme. “We raken steeds meer in de greep van het geld.”
Hij somt de symptomen op van duivelse bezetenheid. De ongelukkigen spreken of verstaan in hun bezetenheid vaak talen die zij voorheen niet kenden, en sommigen hebben plotseling bovennatuurlijke gaven; ze zijn bijvoorbeeld ineens helderziend. Bezetenen hebben ook altijd de neiging slechte, zondige dingen te doen. Verder vertonen zij tal van symptomen die ook voorkomen bij mensen met een psychische stoornis. Dat bemoeilijkt de diagnose wel eens.
Wat het iets makkelijker maakt, vertelt hij, is dat bezetenen vrijwel altijd negatief reageren op de symbolen van de kerk, zoals het kruis. Ook namen van Bijbelse karakters roepen vaak heftige reacties op. “Ik heb hier een keer een jongen gehad die in een psychiatrische inrichting zat. Iedere keer als ik de naam van Jezus noemde, draaide hij met zijn hoofd en maakte hij vreemde bewegingen. De derde keer dat hij hier kwam, zaten we in deze kamer tegenover elkaar. Toen ik in een Bijbelcitaat de naam van Maria noemde, begon hij ongelooflijk te schreeuwen en hij spuugde in mijn gezicht. Dat was dus heel duidelijk een geval van bezetenheid. Die jongen is nu vrij. Daar ben ik heel blij om.”
“Een enkele keer voel ik het al direct als ik iemand ontmoet. Dan is er iets unheimisch. Dat heb ik ook wel eens als ik in een huis kom dat op de een of andere manier bezeten is. Het wordt me ingegeven, denk ik.”
Het komt geregeld voor dat hij mensen naar een arts of psychiater moet verwijzen. De wereldse hulpverleners zijn over het algemeen niet erg genegen op hun beurt ook naar hem te verwijzen. “Ik ben ervan overtuigd dat er heel wat mensen als schizofreen zijn opgesloten in een psychiatrische inrichting, terwijl zij eigenlijk bezeten zijn.”
Als een exorcisme nodig is, maakt de duiveluitdrijver met catechumenen-olie een kruis op het voorhoofd van de bezetene; een tip van een collega-exorcist uit Limburg. “Die olie wordt bij de doop nogal eens vergeten, met alle nare gevolgen vandien. Ik heb er goede resultaten mee geboekt.”
De plechtigheid bestaat verder uit een lange reeks psalmen, gebeden en rituelen. Hij vraagt voordat hij een demon uitdrijft altijd eerst naar diens naam. Dat doet hij namens God. “Het zijn vaak Oosterse namen, maar ik heb ook wel eens een demon meegemaakt die zichzelf Henk noemde.” De door het Vaticaan goedgekeurde Latijnse bezweringsformules gebruikt hij zelden; hij spreekt de boze geesten liever in het Nederlands aan. “Dat vind ik persoonlijker.”
Uitdrijven alleen is niet voldoende. Hij gebiedt de duivel altijd: “Ga naar de plaats die de Heer je aanwijst, zonder iemand anders te schaden.” Die laatste woorden zijn heel belangrijk. “Ja, het is gek, maar dat moet je er bij zeggen.” Hij vergat het één keer bij het verjagen van boze geesten uit een huis. “Drie weken later was het mis in de benedenwoning.”
De kerk onderscheidt het 'kleine exorcisme' en het 'plechtige, grote exorcisme'. Het kleine exorcisme wordt bij iedere doop toegepast en levert weinig problemen op - afgezien van de vergeten catechumenen-olie. Het grote exorcisme is aan strenge regels gebonden. De instructies hiervoor staan in het Rituale Romanum. Dit boek met teksten en rituelen is in 1614 voor het eerst verschenen. Op basis van de Rituale Romanum schreef de Duitse Jezuïet Adolf Rodewyk in de jaren zestig van deze eeuw het boek Dümonische Besessenheit heute, een handleiding voor het herkennen en behandelen van duivelse bezetenheid. Volgens de bibliothecaris van de centrale Jezuïetenbibliotheek in Nijmegen, pater Nicolaas Appel, is het een veelgevraagd boek. “Het is een heel serieuze studie, een soort standaardwerk.”
Rodewyk beschrijft in het eerste hoofdstuk een gruwelijk geval van demonische bezetenheid dat hij zelf als exorcist zou hebben meegemaakt. Rodewyk ontmoette tijdens de Tweede Wereldoorlog in een militair hospitaal een verpleegster. De vrouw bleek bezeten door boze geesten. Veertien jaar lang probeerde Rodewyk de duivels uit te drijven. Af en toe boekte hij een succesje, maar de boze geesten keerden telkens binnen korte tijd weer terug. Uiteindelijk verloor hij de strijd. De verpleegster dronk in december 1954 een fles slaapmiddel leeg en overleed.
Rodewyk verwijst in zijn boek veelvuldig naar het Rituale Romanum en naar Satan, een dikke bundel opstellen die in 1946 is verschenen in de serie Les études Carmélitaines. Als voorbeeld van hoe de kerk en de authoriteiten in vroeger tijden omgingen met vermeende handlangers van de duivel, bevat deze Franse pil een verslag van het viereneenhalf jaar durend proces tegen Anne de Chantraine. Zij werd beschuldigd van hekserij en bekende (na foltering) dat zij seks had gehad met de duivel. Ze werd in oktober 1624 veroordeeld tot de vuurdood met voorafgaande verwurging.
De Nationale Raad voor de Liturgie is in Nederland verantwoordelijk voor de rituelen die priesters mogen uitvoeren. Secretaris Evert de Jong van de Raad bladert in het Rituale Romanum. Adjúro te, serpens antíque, (...) per eum, qui habet potestátum mitténdi te in gehénnam... 'Ik bezweer u, oude slang, (...) bij hem, die de macht heeft u naar de hel te zenden...' Woord voor woord vertaalt De Jong de eeuwenoude formules voor het uitdrijven van duivels. Het Vaticaan heeft een nieuw exorcisme-ritueel ontwikkeld, vertelt hij. “Ik geloof dat er op dit moment in Italië mee wordt geëxperimenteerd.” Nederlandse priesters moeten het voorlopig nog met de oude formules doen.
De wijding tot duiveluitdrijver was tot 1972 een vast onderdeel van de priesteropleiding. Die wijding is afgeschaft. Het kerkelijk wetboek, de Codex iuris canonici, bepaalt tegenwoordig dat een priester alleen met toestemming van zijn bisschop een groot exorcisme mag uitvoeren. En de bisschop mag het verlof alleen geven aan een priester “die vroomheid, kennis en wijsheid bezit en van integere levenswandel is”. De vroomheid en integere levenswandel zijn volgens De Jong heel belangrijk. “Anders loop je het risico dat de duivel overspringt, dat hij de priester ook in zijn macht krijgt.”
Van Satan en zijn handlangers zijn zowel in de kerkelijke als de wereldse literatuur afschrikwekkende visioenen geschetst. In La divina Commedia beschreef Dante de opperduivel Lucifer, koning van de onderwereld, als een wanstaltig monster van enorme omvang, met drie gezichten en onder elk gelaat twee grote vlerken, “onbevêerd als vleermuisvleugels”. De vlerken klapwiekten “zo geweldig, dat drie orkanen door het luchtruim gierden”.
Hij weende met zes ogen, en drie kinnen bedroop een bloedig kwijl, vermengd met tranen. In iedre muil verbrijzelden zijn kaken een zondaar juist alsof ze 'n vlasbraak waren: zo leden deze drie wel zware pijnen. Die in de voorste muil stak, had van 't bijten geen pijnen door de wreder pijn van 't klauwen, dat keer op keer de ruggegraat ontblootte.'' (Dante, De Hel, vierendertigste zang)
Tegenwoordig is het Kwaad voor veel gelovigen echter meer iets abstracts, een symbool voor het slechte in de mens. De Jong schudt ontkennend met zijn hoofd. “Duivels zijn bestaande wezens. Ze behoren tot de geestenwereld, ze zijn onzichtbaar, maar ze zijn wel aanwezig. Je kunt ze ook voelen.” Aan de kant van het goede bestaan eveneens allerlei reële, gepersonifieerde machten. “Wij hebben in de katholieke kerk altijd de erkenning gehad dat mensen op voorspraak van heiligen kunnen genezen.”
De Jong pakt de katholieke catechismus erbij. Paragraaf 414: “Satan of de duivel en de andere demonen zijn engelen die gevallen zijn, omdat zij uit vrije wil geweigerd hebben God en zijn heilsplan te dienen. Hun keuze tegen God is definitief. Zij proberen de mens deelgenoot te maken van hun opstand tegen God.” De catechismus is de officiële samenvatting van de geloofsleer en is enkele jaren geleden geheel herzien. De thans geldende versie is in 1993 door het Vaticaan uitgegeven.
De Jong benadrukt dat duivelse bezetenheid en exorcisme in Nederland nauwelijks voorkomen. “Nederlanders zijn nuchter.” De woordvoerder van de rooms-katholieke kerk in Nederland, Peter van Zoest, valt hem bij. Al moet hij wel toegeven dat het landelijke secretariaat gemiddeld een paar keer per week wordt gebeld door mensen die een exorcisme willen. “Maar vaak hoor je meteen dat het onzin is. We verwijzen de mensen meestal naar hun eigen bisdom.”
Godsdienst-antropologe Gerrie ter Haar glimlacht als ze wordt geconfronteerd met de houding van de woordvoerders van de kerk. “Ze generen zich ervoor.” Ter Haar is verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht en heeft onder meer onderzoek gedaan naar het geloof in goede en boze geesten onder Afrikaanse christenen.
Volgens haar moet een onderscheid worden gemaakt tussen manifeste en latente bezetenheid. In de latente variant heeft de geest zijn intrek genomen in het lichaam van een mens, maar houdt hij zich gedeisd. “Hij deelt als het ware speldenprikken uit. Hij zorgt ervoor dat je je niet helemaal senang voelt.” In Afrika zijn de mensen gewend aan dat idee, zegt Ter Haar. “Ze kunnen ermee omgaan, ze kunnen de aanwezigheid van een boze geest accommoderen.” De meeste westerlingen kunnen niet meer communiceren met de geestenwereld, aldus Ter Haar. “Dat zijn ze verleerd. De christelijke ideologie heeft het Kwaad sinds de Verlichting helemaal weggestopt. Alles en iedereen moet goed en perfect zijn.”
De priester-exorcist in het bisdom Haarlem denkt dat westerse christenen op dit punt iets kunnen leren van hun Afrikaanse geloofsgenoten. Hij staat in de sacristie van zijn kerk. Het is de ruimte waarin hij de duiveluitdrijvingen voltrekt. Hij wijst naar drie eenvoudige keukenstoelen. “Daar zitten we dan te bidden.” Volgens hem leert de praktijk dat allochtonen uit Derde-Wereldlanden gemiddeld eerder last hebben van boze geesten. “Maar ik feliciteer die mensen daarmee, want het betekent dat ze meer openstaan voor de natuur, en dus ook voor God.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.