De 'Dienstmüdchen-hausse', zoals Duitse investeerders de grote toestroom van onervaren beleggers smalend noemden, is voorbij. De Duitse particuliere belegger wordt geacht mondig te zijn, en klaar voor de euro. Voor het beleggen in het nieuwe Europa heeft de vereniging DSW het bedje gespreid. Nu alleen nog korter vergaderen.
“Ooit waren we een club voor een selecte groep welgestelden. Nu kom ik een keer per week op televisie om over beleggen te praten. Zelfs het pulpblad Bild Zeitung schrijft erover.”
Klaus Nieding lacht mild. Hij is advocaat, lid van het toezichtscomité van de gerenommeerde Frankfurtse effectenbeurs en voorman van de Deutsche Schützvereinigung für Wertpapierbesitz (DSW), de Duitse evenknie van de Nederlandse Vereniging van Effectenbezitters (VEB).
Nieding is blij met de grote aandacht voor beleggen sinds het goede beursjaar 1997, maar boven een markt met vele particuliere beleggers verkiest hij stabiliteit. “Dat hangt vooral af van de informatie die beleggers hebben. En van de vraag of zij hun recht op inspraak gebruiken.”
“Het korte-termijndenken van vele nieuwe beleggers maakte tijdens de hausseperiode van de beurs een jojo. Volgens Nieding kreeg de toonaangevende index (Dax) van de Duitse beurs klap na klap, omdat de 'Dienstmüdchen' en consorten impulsief op elk nieuwtje reageerden. Beleggers informeren, wint volgens Nieding dan ook aan belang, zeker nu de particuliere belegger zijn blik vaker dan voorheen op fondsen elders in Europa richt.
In Duitsland gaat de DSW prat op zijn grote invloed. Met ruim 20 000 particuliere leden, en een aantal grote institutionele beleggers als opdrachtgever, mag de vereniging het Duitse parlement adviseren op het gebied van wetgeving.
Omdat de DSW een aanzienlijke achterban heeft, geniet zij bovendien dezelfde status als grootaandeelhouders. Zij hebben tijdens aandeelhoudersvergaderingen recht op extra inspraak. Volgens de wet kan dat alleen als zo'n aandeelhouder minstens 10 procent van het aandelenkapitaal of 2 miljoen Duitse mark van de nominale waarde van de uitstaande aandelen in handen heeft.
Buiten Duitsland vindt de Duitse aandeelhouder veelal een minder mooi gespreid bedje. “We hebben goede contacten met soortgelijke organisaties in andere landen”, zegt Nieding. “Ik zie aandeelhouders niet massaal naar vergaderingen elders in Europa reizen. Maar ze zullen zeker in buitenlandse aandelen gaan, en dus moeten we onze expertise uitbreiden.”
Volgens Nieding geldt dat vooral bij complexe zaken als overnames van of door buitenlandse bedrijven. “Dat gebeurt vaak vrij plotseling voor beleggers. Daarin hebben wij een voorlichtende taak.”
Nieding verwacht wel dat grote bedrijven zich vaker aan andere beurzen in Europa laten noteren of hun buitenlandse aandeelhouders vaker in hun eigen land opzoeken. “Laat de bestuurders van een bedrijf maar zorgen dat ze in een ander land goed beslagen ten ijs komen. Daarvoor kunnen ze zich laten coachen.” Nieding lacht: “Ik preek voor eigen parochie, want ons advocatenkantoor is daarin specialist.”
Ook bij de Duitse fondsen ruikt Nieding werk. Typisch aan Duitse vergaderingen van aandeelhouders is dat ze heel lang kunnen duren. “Zelf ben ik president-commissaris bij een middelgroot bedrijf. Onlangs kreeg ik complimenten van aandeelhouders die nog nooit een zo strikt geleide vergadering hadden meegemaakt: een uur formaliteiten, anderhalf uur discussie en een uur stemmen. Klaar. Vergaderingen van twaalf uur en meer zijn nergens voor nodig. Dat moeten we hier nog leren.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.