*

 
dossier

Archief

SCHELTEMA

RUUD VERDONCK − 31/08/96, 00:00

Toch benieuwd: wat heeft de olijke toeteraar benevens vice-premier Dijkstal nu precies gezegd over zijn wijze van werken tegen de koelie van zijn clubblad Liberaal Reveil?

Eens gezegd, blijft gezegd, zo zit het ook weer niet in de journalistiek. Een geïnterviewde moet, indien gewenst, de mogelijkheid krijgen om een hoogst ongelukkige, zeer onhandige of ronduit onjuiste uitspraak nog snel recht te zetten, alvorens zijn woorden ter kennis worden gebracht van een groot publiek. Dat kan soms vervelend uitpakken voor de journalist, maar als het een bijdrage is aan een fair beeld, dan moet een vakman dat maar incasseren. Alleen, daar zitten wel grenzen aan. Wat gezegd is, telt weldegelijk zwaar. Het is niet de bedoeling dat de geïnterviewde een journalistieke productie vrijwel geheel herschrijft omdat hem dat beter lijkt. Een lezer hoort ervan op aan te kunnen dat een interview berust op de authenticiteit van de weergave van een gesprek tussen twee mensen in een vast rollenpatroon: de informant tegenover de journalist als intermediair en verlengstuk van de lezer.

Door de oprukkende bemoeienis van voorlichters komt daar steeds minder van terecht. Niet langer wil de geïnterviewde de voorgenomen publicatie autoriseren, het is steeds vaker de afdeling voorlichting die een poging onderneemt om het opgeroepen beeld bij te stellen, niet naar de werkelijkheid maar naar de regels van de voorlichtingsstrategie.

Het dolste voorbeeld daarvan is natuurlijk het interview dat minister Sorgdrager dit voorjaar aan het maandblad Opzij gaf. De minister had het verhaal al geautoriseerd, toen haar voorlichtende interim-manager Dig Istha ingreep en de regels over een minister die zich invechtend in de mannenwereld ooit dacht 'Ik ben niks en ik kan niks' schrapte. Uiteindelijk hield Opzij voet bij stuk, maar het illustreert de misvatting van voorlichters dat als zij horigen zijn, de journalistiek hoerig hoort te worden.

Terug nu naar Dijkstal die, zo meldde de Volkskrant dinsdag in het blad Liberaal Reveil zei: “In die 50 procent die ik aan Binnenlandse Zaken besteed, werk ik een stuk harder dan minister Dales.” Dezelfde dag al wapperde Dijkstal in de Tweede Kamer met een excuusbrief van de interviewende partijgenoot Gerry van der List, die ook columnist is van de Volkskrant. Hij was 'zeer, zeer verbolgen'. De Volkskrant had de verkeerde drukproeven in handen gekregen: de altijd levensgevaarlijke ongeauthoriseerde versie.

Hoe de Volkskrant daar aan kwam, kan ik wel bedenken maar niet bewijzen. De krant vroeg vervolgens aan Van der List of Dijkstal dat nu wel of niet gezegd had. Antwoord: “Ik kan het me niet meer herinneren. Maar de minister en de voorlichter meenden dat het niet was gezegd, dus ze zullen wel gelijk hebben.” Kan het nòg overtuigender?

De minister heeft het niet gezegd, want het is niet zo in de officiële partijnotulen opgenomen. Maar een interviewer die achteraf beweert niet eens meer te weten welke uitspraken hij zelf erbij verzonnen heeft, getuigt natuurlijk zelfs voor een clubblad van een stuitend amateurisme. Zand erover, het was niet eens journalistiek.

mailIcon print |