*

 
dossier

Archief

TWEETALIGHEID

ARLETTE DWARKASING − 13/09/95, 00:00

Het was haar ideaalbeeld. Een tweetalig kind. Zelf is Margriet Oostra in Friesland tweetalig opgevoed. Bij haar ideaalbeeld hoorde ook een Friese man. Maar het werd er een uit Lelystad met wie ze in Rotterdam ging wonen. En hoewel Oostra vanaf het begin alleen Fries sprak met haar pasgeboren baby, is ze er nu - Meike is inmiddels twee - toch vanaf gestapt. Het is moeilijk om in zo'n Nederlandstalige omgeving Fries te blijven praten, zegt ze. Omdat ze steeds de enige is.

De Portugese Maria dos Santos was dolgraag direct begonnen met de tweetalige opvoeding van haar dochter Ximenia. Maar omdat ze zelf van kindsaf aan in Nederland woont en haar man Nederlandstalig is, is ze 'automatisch' Nederlands gaan spreken met de baby. Pas toen haar dochter ruim drie was begon ze als het ware een inhaalslag. Met de inmiddels vierjarige Ximenia probeert ze nu wel zoveel mogelijk Portugees te spreken.

Veel ouders die hun kinderen tweetalig willen opvoeden weten niet precies hoe ze dat moeten aanpakken. Over tweetalige opvoeding is in Nederland voornamelijk incidentele en anekdotische informatie beschikbaar.

De Vlaamse Annick De Houwer, universitair docente psycho- en sociolinguïstiek aan de Universiteit van Antwerpen, heeft een paar jaar geleden een eerste studie gedaan naar de taalverwerving van een tweetalige kleuter. Ze ging na in hoeverre het meisje de afzonderlijke talen - Engels en Nederlands - leerde. Vorige week was De Houwer in Nederland en nam zij deel aan een internationaal congres over taalverwerving aan de Rijksuniversiteit Groningen.

“Dat jonge kinderen zo vlug en zo makkelijk een taal leren, dat is een mythe”, zegt de Vlaamse. “Zeer jonge kinderen kunnen inderdaad verschillende talen leren, maar ze moeten wel de mogelijkheid en tijd krijgen de diverse talen daadwerkelijk te gebruiken. Alleen een taal spreken met je kind is niet genoeg.”

De Houwer geeft een voorbeeld. In een situatie waarbij een in Nederland wonende Portugese moeder de enige zou zijn die Portugees met haar kind spreekt, en er verder nooit momenten zijn dat het kind die taal met anderen gebruikt, gaat het Portugees lijken op een geheimtaal tussen die ouder en het kind. Daarin schuilen twee risico's. De Nederlandse ouder kan van de communicatie tussen moeder en kind worden uitgesloten, zeker als hij geen Portugees begrijpt. Bovendien kan het kind zich, als het ouder wordt en merkt dat de omgeving het Portugees niet verstaat, gaan verzetten tegen die taal. Want dan ziet het niet in waarom die nog van belang is.

“Taal is een sociaal fenomeen. Het kan geen 'geheimpje' zijn. Een ouder kind kan zich gaan afvragen: 'wat is dat eigenlijk voor iets raars dat mijn moeder met mij praat', als er buiten het gezin geen andere prikkels zijn. Een kind voelt zich juist sterker en zal meer gemotiveerd zijn het Portugees te onderhouden als hij of zij zich ervan bewust is dat er achter de taal een heel land, een hele cultuur en een hoop andere mensen staan.”

Vlak na de geboorte van Ximenia vertrokken de ouders van Maria dos Santos voorgoed terug naar Portugal. “Zij waren de enigen met wie ik nog Portugees sprak”, vertelt Dos Santos. “Ik ben sinds mijn vijfde in Nederland en heb helemaal geen Portugese vrienden. Er was geen noodzaak die taal te gebruiken, dus deed ik het ook niet met Ximenia. Maar ik weet nog goed hoe prachtig ik het zelf als kind vond dat ik twee talen beheerste. Dat wil ik nu ook voor mijn dochter. Dat ze mijn ouders in hun eigen taal kan aanspreken en dat ze, als we in Portugal zijn, niet aan míí hoeft te vragen: mama, vraag eens of dat kindje met mij wil spelen. Eigenlijk ben ik vooral gestimuleerd door mensen in mijn omgeving die zeggen: zonde dat je geen gebruik van maakt van je eigen tweetaligheid.”

Om Ximenia, die naar een Nederlandse basisschool gaat, in contact te brengen met Portugese kinderen brengt Dos Santos haar twee keer in de week naar de Portugese school in Amsterdam waar ze met andere kleuters speelt. Thuis spreekt haar moeder sinds een jaar haar dochter zoveel mogelijk in het Portugees aan.

Dos Santos: “In het begin keek ze me heel suffig aan. Zo van: wat sta je nou raar te doen. Of ze zei: 'Niet Portugees praten mama, want dat kan ik niet'. Maar ik heb volgehouden. Met simpele dingen als: goedemorgen, we gaan tandenpoetsen, pak je schoenen even. En ze doet wat ik zeg, dus ze begrijpt het wel. Als ze met mij alleen is gaat het prima. Maar zodra paps thuiskomt kijkt ze me aan alsof ze wil zeggen: doe nu maar gewoon. Als ik inderdaad zou merken dat het te geforceerd zou gaan, stop ik ermee. Maar afgelopen zomer in Portugal, en nu op de Portugese school merk ik dat ze er plezier in krijgt. Dat stimuleert me om er thuis ook mee door te gaan.”

Een geluk dat het bij Ximenia zo heeft uitgepakt. Annick De Houwer raadt het ouders juist af om pas op drie- of vierjarige leeftijd te beginnen met een tweetalige opvoeding. “Wij voeren nu een gesprek in het Nederlands”, zegt De Houwer. “Het zou wel heel gek zijn als we op dit moment over zouden gaan naar het Engels, zelfs al zouden we dat beiden kunnen. Kun je nagaan hoe raar het voor een kind dan moet zijn als je vader of moeder, die drie jaar lang Nederlands met je heeft gepraat, je opeens in een andere taal benadert. De kans is groot dat het kind het niet accepteert. Daarbij komt dat het kind zich verstoten kan voelen door de ouder die opeens iets onbegrijpelijks doet. De psychische en emotionele schade kan groot zijn. Ik zou eerst voorzichtig iemand anders de taal laten aanbieden. En dan kijken hoe het kind erop reageert. Een kindermeisje bijvoorbeeld, een oppas of inderdaad leidsters of leerkrachten van zoiets als een Portugese school.”

De meest ideale situatie voor een tweetalige opvoeding is volgens De Houwer “al tijdens de zwangerschap beginnen”. “Er zijn aanwijzingen dat een kind al in moeders schoot kan horen vanaf een maand of vier. In Frankrijk zijn experimenten gedaan bij baby's vanaf vier dagen oud om te zien of zij taalspecifieke kenmerken kunnen herkennen. Ze keken naar het zuiggedrag van baby's op een fopspeen. Een baby met een Franstalige moeder die tijdens haar zwangerschap steeds in een Franstalige omgeving verkeerde, zoog bij het horen van de Franse taal veel gretiger op de speen dan bij het horen van andere talen. Er wordt kennelijk toch iets herkend, dus is het geen slecht idee om direct te beginnen met de tweetalige opvoeding.”

Zaak is dan wel om het vol te houden. Ook al gaat een kind de talen door elkaar gebruiken. Tot het tweede jaar is het voor een kind moeilijk twee talen van elkaar te kunnen onderscheiden. Beide worden gebruikt. Bijvoorbeeld het Nederlandse pop en het Franse voiture. Pas tussen het tweede en het derde jaar zal een kind zich bewust worden dat pop en poupée, auto en voiture equivalenten zijn. Rond het derde jaar is een tweetalig kind meestal wel in staat de twee talen 'uit elkaar te trekken'. Die scheiding kan worden bevorderd als er in het dagelijks leven ook een duidelijke functiescheiding is tussen de twee talen: moeder spreekt Frans en vader Nederlands.

Margriet Oostra zingt nog weleens Friese liedjes met Meike. Misschien is het wel uit gemakzucht, dat ze niet heeft doorgezet, zegt ze zelf. “Misschien zou ik meer moeite hebben gedaan als het om een buitenlandse taal ging die Meike nodig zou hebben om te communiceren met mensen die ik belangrijk vind. Maar dat is niet zo. Ze zegt tegen mijn ouders wel pake en beppe, maar verder kan ze met mijn hele familie in het Nederlands communiceren.”

mailIcon print |