Saint-Simon: Memoires. Vert. Anneke Brasinga. Privé-Domein, 212. De Arbeiderspers, Amsterdam; 331 blz - ¿ 49,90.
De ander lachte zich intussen een kriek om de vergissing en om het beledigde gezicht dat haar gezellin zou trekken als die zo meteen werd weggestuurd en zijzelf binnengeroepen. Du Mont kwam binnen en was stomverbaasd het mooie meisje te zien. Wat stond zij daar nog? Waar was haar vriendin? Zij deed het verhaal. Du Mont klopte op de deur, roepende: “Die is het niet; u hebt de verkeerde.” Geen antwoord. Hij bonkte en riep weer. Zonder resultaat.
Ten slotte opende de prins de deur en duwde het schepsel naar buiten. Du Mont trad met de ander naar voren: “Hier, deze is het.” - “Ik ben klaar”, zei de prins; “een andere keer” en sloot de deur, Du Mont en de schone beteuterd achterlatend. Zij voelde zich zo diep beledigd, dat zij het verhaal overal rondbazuinde. Binnen de kortste keren wist iedereen aan het hof ervan.
Deze anekdote van het ranzige vluggertje van de oudste zoon van Lodewijk XIV, de Zonnekoning, komt uit de 'Memoires' van Louis de Rouvroy, als schrijver beter bekend als hertog van Saint-Simon (1675-1755). Die verschenen onlangs, in een krachtige, heldere bewerking en vertaling. Gedenkschriften, waarin de auteur schetst wat er aan het hof van Versailles voorviel en daarbij bijna alles genadeloos over de hekel haalt.
Versailles heet “het ellendigste, lelijkste stukje land ter wereld”. Saint-Simon kon het weten. Als hoge Franse edelman sleet hij er zijn jaren. Hij konkelde, keuterde en krioelde mee in coterieën, liep de feestjes en ontvangsten af en vlaste als zovelen op een hoge ambt. Dat wil zeggen: een van de inhoudsloze erebaantje waarmee de Zonnekoning de vroeger rebelse adel aan zich bond en tandeloos maakte.
Een erebaantje, zoals voor vader Saint-Simon, die het van page tot opperstalmeester bracht. Dat dankzij zijn 'vondst' om tijdens de jacht het wisselpaard hoofd aan bil naast het afgereden paard te zetten. De koning kon zo met één voet in de stijgbeugel een halve slag draaien en tegelijk overwippen. Verder viel zijn vader op omdat hij 's konings jachthoorn blies “zonder erin te kwijlen”.
Met m'n geschriften wil ik geen zelfrechtvaardiging, aldus Saint-Simon. Ik doe het omwille van de waarheid. Niets wil ik liever dan het herstel van de oude orde en rangen, een situatie waarbij de koning samen met de hoge adel het land regeert. Dat is de door God gegeven ordening volgens Saint-Simon. In feite misgunt hij anderen het streven naar ambten, die hem op grond van zijn verheven geboorte vanzelf zouden moeten toevallen.
Niet alleen aartsreactionair was Saint-Simon dus, maar ook gefrustreerd tot op het bot. Iedereen in Versailles zag hij over elkaar heen buitelen om bij de koning in het gevlei te komen. Ze kropen, likten, draaiden en fleemden om de macht, roem en geld. Geen echtelijke trouw, vriendschap, gegeven erewoord of oprecht gevoel mocht zo'n doel in de weg staan. “Alles is ambitie”, stelt hij bitter vast. Knarsentandend zag hij hoe de windbuilen, flapdrollen en ijdeltuiten hem voorbijsnelden.
Ook zijn uiterlijk droeg weinig bij aan Saint-Simons gevoel voor eigenwaarde. Van tijdgenoten weten we dat hij een echt onderdeurtje was - 1 50 m lang. Een iel ventje, maar niet mismaakt. Hij had een arrogante kop, maar als hij zijn mond opendeed, klonk een hoog stemmetje, “als een straaltje azijn”, schreef een. Vertaalster en bewerkster Anneke Brassinga noemt hem “een kleine miezerd”.
Maar hij zon op wraak. 's Nachts schreef hij in het diepste geheim alles op wat hij overdag bijeenschraapte door onophoudelijk te jagen, snuffelen en voor luistervink te spelen. In een priegelig, maar net schuinschrift, zonder witregels en met weinig alinea's. Soms laconiek, dan weer met humor, vaker nog in vlammende drift, vol gal of gif. Maar altijd is het ver-ruk-ke-lijke lectuur, of beter nog, literatuur, want Saint-Simon had behalve een vileine ook een zeer soepele en puntige pen. .
Via de geschiedenis van de eigen tijd, met daarin erg veel ruimte voor portretten, troost de hertog zichzelf. Want de grote les van het verleden heet ontluistering. Hoe machtig, rijk en aantrekkelijk iemand ook was, het gaat voorbij. Het verleden bewijst dat “geen der geluksvogels op de wereld gelukkig is geweest”. Alles mag dan ambitie zijn, sommigen mogen het verder schoppen dan hij, uiteindelijk blijkt dat “alles niet is, het leven van mensen, niets”.
En om de teloorgang te schetsen, maakt de auteur veel werk van fysieke details. Hij schetst de aftakeling van madame De Beauvais, die de koning nog van zijn maagddom had afgeholpen, maar nu “een schele ouwe todde met druipogen” was. Ook de zuster van madame De Montespan, de eerste officiële maîtresse van de koning, had druipogen “met trekpleisters van groene taft erboven, een grote slab hing om haar hals. Dat was nodig: ze kwijlde onophoudelijk en overvloedig.” Maar “fier en vol grandeur” leek zij “de koningin van de hele wereld” en liet zich elke avond naar de kamer van de koning dragen, waar ze het hoogste woord voerde.
Vaak zet hij personages ook letterlijk te kakken. Want een benarde stoelgang lijkt voor de hertog met de vlijmscherpe blik meer dan een omgemak. Het is een veeg teken. Binnenin is de ziel dan aan het rotten. Het kwaad in de mens wringt zich altijd een weg naar buiten. Het is duidelijk te zien, en even zo vaak te ruiken, meent Saint-Simon.
Niemand krijgt er in dat opzicht zo van langs als generaal Vendome, telg uit een koninklijke bastaardtak. Saint-Simon meldt nog terloops dat op diens militaire successen wel wat valt af te dingen. Diens homoseksualiteit bespreekt hij al wat ruimer: “vunzer dan wie dan ook”. Fijntjes meldt hij de uiterlijke gevolgen: kuren met kwik tegen syfilis. Na de eerste “keerde hij terug met een halfweggevreten neus, uitgevallen tanden en een volstrekt veranderd voorkomen, dat bijna seniel leek”.
Hij raakt pas goed op stoom als hij kan uitleggen waarom de generaal zo'n 'smeerkees' is. “Zijn bed was vol reuen en teefjes die naast hem paarden en jongden, terwijl hij zelf alles liet lopen.” In het leger hees hij zich 's morgens op de kakstoel. Daarop ontbeet hij overvloedig - “scheet niet minder overvloedig” - hield krijgsberaad en ontving gasten en gezanten. “De pot waarin hij zich had ontlast, werd vervolgens gebruikt bij het scheren.”
Uitzonderingen maakte de generaal niet. Toen de hertog van Parma tijdens een oorlog met hem wilde onderhandelen en de bisschop van Parma stuurde, ontving Vendome die ook op de kakstoel. Tijdens het gesprek stond hij op om zijn gat af te vegen. De bisschop stormde weg en gaf zijn opdracht aan de hertog van Parma terug.
Die stuurde daarop abbé Alberoni, die begreep dat dit een uitgelezen kans was om bij Vendome hogerop te komen. De geestelijke was namelijk “de zoon van een tuinman, die zo pienter was geweest zich een kerkelijk kraagje aan te meten om uitgedost als abbé te geraken waar hij in zijn boerenkiel zijn neus zou hebben gestoten”. Waarlijke vroomheid kom je bij Saint-Simon niet tegen.
Koste wat kost wilde abbé Alberoni dus Vendome inpalmen, die ook hem op de kakstoel ontving. Alberoni vleide, prees en maakte grapjes. En toen Vendome zich weer oprichtte om zijn gat af te vegen, riep de abbé: “O culo di angelo! (de kont van een engel) en snelde toe om hem de kont te kussen.” Succes verzekerd. Alberoni zou het tot kardinaal en eerste minister van Spanje schoppen.
Haast niemand ontkomt aan de scherpe pen van Saint-Simon. Ook de Zonnekoning zelf niet. De hertog heeft voor hem nog wel een zwak. Maar Lodewijk XIV is een intense egoïst èn een viespeuk. Zo nam hij geregeld twee hofdames in de maling door dotten haar in de boter of hun pasteitjes te laten stoppen. “Dan begonnen zij te braken terwijl hij het uitschaterde.”
Slechts twee mensen springen er in de Memoires in positieve zin uit. De eerste is de hertog van Bourgogne, de kleinzoon van Lodewijk XIV. Deze prins wordt de troonopvolger wanneer zijn eerdergenoemde vader overlijdt. Een gebeurtenis die de hertog met pervers genot beschrijft. Zo blij is hij met de dood van de prins dat hij amper slaapt. Maar “zulke slapeloze nachten zijn zoet, het ontwaken een genot”. De zoon op wie hij zijn hoop had gevestigd, bewierookt hij.
Het was alles voor niets, want ook deze kroonprins sterft voor hij de troon kan bestijgen. Even leeft Saint-Simon op tijdens het regentschap van de hertog van Orléans voor de minderjarige Lodewijk XV. Hij krijgt dan zijn hoge functie: lid van de regentschapsraad. Maar niet lang. Ook die prins sterft snel, hetgeen de auteur typerend voorbereidt. Hij schetst de regent tegen het eind, zittend op de kakstoel, met paars hoofd en dikke tong.
Met de dood van de regent in 1723, Saint-Simon was toen 48, was hij die hoge functie meteen ook weer kwijt. Hij verliet het hof en trok zich terug in zijn Parijse woning. Daar bracht hij nog 32 jaar door met schrijven en redigeren van zijn memoires. Na zijn dood werden zijn geschriften overgebracht naar het Louvre. In totaal waren het vijf volle kisten. De memoires besloegen twaalf leren portefeuilles.
In 1819 verscheen daaruit de eerste publicatie. In 1989 kregen ze definitief hun plaats bij de Franse klassieken. Toen verscheen namelijk het laatste deel van de integrale tekst in de vermaarde Pléiade-reeks. In totaal beslaan de Memoires daarin achtduizend pagina's, noten en register niet meegerekend.
Het laatste woord, de ultieme wraak was daarmee voor die kleine miezerd. Of toch niet? 1989 was ook het jaar waarin Frankrijk vierde dat tweehonderd jaar tevoren de Bastille was bestormd. Het begin van de Franse Revolutie, die een bloedig einde maakte aan het Ancien Régime dat Saint-Simon zei boven alles lief te hebben.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.