Hoe kun je mensen die pleiten voor een heroverweging van de plaats van het Nieuwe Testament 'christenen tegen het evangelie' noemen? Reactie op een Podiumartikel over Herman Verbeek. De auteur is lid van de Nederlandse Hervormde Kerk.
David Lilienthal, rabbijn van de liberaal joodse gemeente in Amsterdam, betitelde op 19 december het boek van Ter Linden als het oude anti-joodse verhaal, geschreven vanuit een subjectieve christelijke visie. Ter Linden had zijn christelijke visie in alle duidelijkheid vooraf kenbaar moeten maken. Dat de bijbelopvatting van joden en christenen niet identiek aan elkaar zijn was bekend. Maar de aanval van Lilienthal was hard.
Vier weken later mengde Herman Verbeek zich in de discussie. Ongetwijfeld voor veel lezers wéér een onverwacht geluid. Als christen vraagt hij begrip voor de joodse bijbelvisie. “Zou Jezus zelf het ook maar één ogenblik hebben getolereerd dat de geschriften over hem bij Tenach werden ingelijfd en zo op hetzelfde of nog hoger niveau gebracht?” Herman Verbeeks schrijfstijl - rechttoe, rechtaan - laat aan duidelijkheid nooit te wensen overlaat.
Geschrokken ben ik van het artikel van Wim Schuwirth op 23 januari: Hij schreef daar over 'Herman Verbeek en andere “christenen tegen het evangelie”.' Voor mij is dit de aanleiding om als niet-theoloog aan deze gedachtenwisseling deel te nemen. Het boek van Ter Linden wordt weliswaar door Schuwirth nog genoemd, maar daar gaat het verder niet meer over. In zijn tirade noemt hij Verbeek “een priester, die zich tot de christenen richt alsof hij dat zelf niet is.” Het kan vreemd gaan met een verhaal. Christenen, die elkaar niet meer herkennen.
Schuwirth noemt Herman Verbeek in één adem met ds. Alex van Ligten, van wie vorig jaar Wegwijzer voor de bijbel (uitgeverij Kok) uitkwam. Schuwirth citeert de volgende stelling van Van Ligten: “Het Nieuwe Testament is commentaar op /uitleg van/ zo hier en daar interpretatie van Mozes en de Profeten.”
Het boek van Van Ligten heb ik met veel waardering gelezen. Als toelichting zegt hij zelf: “Je kunt zeggen dat Tenach de stad is en het Nieuwe Testament voor de christen een zeer goede plattegrond.” Van Ligten beroept zich in zijn 'Wegwijzer' op de theologen A. A. van Ruler en K. H. Miskotte. Bij de presentatie van zijn boek merkte hij op: “De gemeente moet Jezus minder aanbidden en beter naar hem luisteren.” Kan Schuwirth tegen dat laatste bezwaar aantekenen? “Christenen tegen het evangelie” noemt hij gemakshalve degenen, die van een andere bijbelvisie blijk geven dan de zijne.
Juist de afgelopen maanden werd ik geattendeerd op het boek van dr. H. Vreekamp Zonder Israël niet volgroeid. Visie op de verhouding tussen kerk en joodse volk van hervormde zijde. (Kok, 1988) Vreekamp spreekt daarin over de herontdekking van het Oude Testament als “de eigenlijke Bijbel ook voor christenen.” Ook hij grijpt in zijn boek terug op Van Ruler en Miskotte. Niet zo maar een paar namen. Waren zij volgens Schuwirth ook “christenen tegen het evangelie?” Hoe is het in Gods naam mogelijk om mensen, die pleiten voor een heroverweging van de plaats van het Nieuwe Testament “christenen tegen het evangelie” te noemen?
Ons werd altijd voorgehouden, dat er tussen jodendom en christendom een niet te overbruggen kloof gaapte. Het bemoedigt mij, dat er binnen de kerken mensen gevonden worden, die met een gefundeerd beroep op de bijbel de kloof lijken te overbruggen. Met zijn verwijt van geborneerdheid en onverdraagzaamheid aan het adres van Verbeek en Van Ligten zou ik Schuwirth uit willen nodigen tot zelfonderzoek.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.