*

 
dossier

Archief

Landelijke politiek moet gáán voor topsport

PAUL STRIJP − 03/10/97, 00:00

De politieke partijen leggen op dit moment de laatste hand aan hun verkiezingsprogramma's. Die gaan over allerlei onderwerpen. Eén daarvan is de sport. Op sportgebied beweegt de landelijke politiek zich al jaren in een spanningsveld tussen achterstandsbeleid en topsport. Op dit moment heeft zij voor beide een beetje geld over. In de verkiezingsprogramma's zou dat moeten veranderen. Het geld moet naar de topsport. Waarom?

Achterstandsbeleid staat voor het wegnemen van drempels voor mensen die minder dan gemiddeld sporten. Volgens de kabinetsnota 'Wat sport beweegt' (1996) behoren hiertoe allochtonen, ouderen, mensen met een handicap en de jeugd.

Het beeld voor allochtonen is het meest zorgwekkend. Hun sportparticipatie blijft niet alleen achter, maar de effecten van het stimuleringsbeleid zijn ook nog eens beperkt. Onderzoek van Van der Gugten en Lagendijk (1996) leerde dat dit beleid vooral symbolische waarde heeft. Bij de ouderen is het beeld gedifferentieerd. Aan de ene kant zijn er kapitaalkrachtige ouderen die moeiteloos de golfbaan weten te vinden. Maar er zijn ook kwetsbare ouderen, met veel minder geld. Die hebben belang bij een goede voorlichting over de gezondheidswaarde van sport en bewegen.

Mensen met een handicap hebben veel te verwachten van de wettelijke voornemens van staatssecretaris Terpstra. Die schrijven voor dat elke sportaccommodatie voor hen toegankelijk moet zijn. Wanneer dat eenmaal zo ver is, moet de politiek hier alleen nog zorgen voor positieve beeldvorming over sport door mensen met een handicap.

Voor de jeugd tot slot heeft de overheid net met veel tamtam een grootse campagne opgetuigd: Jeugd in Beweging. Laat de jeugd dan nu ook maar eens in beweging komen. Als politiek hier dus: voorlopig afwachten en scherp zijn op de effecten van dit beleid.

Wat betekent dit alles nu voor de politieke keuzen die in de verkiezingsprogramma's gemaakt moeten worden? Voor het achterstandsbeleid moet de landelijke politiek alléén zorgen voor positieve beeldvorming over sport. Dus af en toe een wervende campagne en verder veel management by speech. Dat hoeft allemaal niet veel te kosten. Voor de financiering en daadwerkelijke uitvoering van de sportactiviteiten moet de lokale politiek tekenen, samen met de sportorganisaties.

Steunpunten

Dan de topsport. Daar is sprake van underperformance: er zit in Nederland veel meer potentieel dan er daadwerkelijk aan topprestaties uitkomt. Om dat potentieel te benutten moet er geld komen.

Indertijd is besloten tot de ontwikkeling van Olympische steunpunten. Dat zijn regionale instellingen voor de medische en sporttechnische begeleiding van topsporters. Sommige van deze steunpunten komen beter van de grond dan andere. Een van de oorzaken hiervoor is dat elke gemeenteraad zich afzonderlijk moet buigen over een subsidietje aan zo'n steunpunt. Dorpspolitiek dus. Piet de Bruin, voormalig voorzitter van de Nederlandse Volleybal Bond, sprak ooit de fameuze woorden: 'Je kunt niet een beetje topsportbeleid voeren. Je kunt ook niet een beetje zwanger zijn.' Toch presteren wij het in dit land: landelijke en lokale politiek zijn beide een beetje zwanger van topsport. Dat schiet dus niet op. Een topsportbeleid voer je centraal of je voert het niet.

In het spanningsveld tussen topsport en achterstandsbeleid moet de landelijke politiek dan ook kiezen voor een krachtig topsportbeleid. Afrekenen dus met onze egalitaire cultuur. In deze tijden van economische hoogconjunctuur mag de landelijke politiek ook best wat extra financiële middelen over hebben om jonge mensen optimaal in staat te stellen ook in de sport de top na te streven.

Er is een gezegde dat luidt: 'Het is een teken van wijsheid om als samenleving in de sterksten, een teken van beschaving om in de zwakkeren te investeren." In de komende verkiezingsprogramma's moet de landelijke politiek zich vooral wijs tonen, de lokale politiek vooral beschaafd.

mailIcon print |