*

 
dossier

Archief

Canadese pianist Louis Lortie speelt subliem in Chopin-etudes

CHRISTO LELIE − 30/01/97, 00:00

AMSTERDAM - Zelden was het zo muisstil bij een pianorecital in de Grote Zaal van het Concertgebouw als afgelopen dinsdag. Het leek wel of iedereen de adem inhield, want de Canadese pianist Louis Lortie leverde een prestatie die maar weinigen hem na kunnen en durven doen: hij speelde de complete etudes van Frédéric Chopin.

Chopins etudebundels opus 10 en opus 25, elk bestaande uit twaalf stukken, worden wel de 'bijbel van de romantische pianotechniek' genoemd. Feit is dat Chopin hierin de technische grenzen van het pianospel ingrijpend verlegde. Dat blijkt als deze stukken vergeleken worden met de voornamelijk voor didactische doeleinden geschreven etudes van zijn directe voorgangers en tijdgenoten als Czerny, Cramer of Moscheles. De extreem hoge tempi en ongewone, vaak ronduit gemene handstanden en de zelfstandigheid van de vingers die Chopin eist in zijn beruchtste etudes, zoals de chromatische (opus 10 nr.2) of de tertsenetude (opus 25 nr.6), zijn nog steeds voor veel pianisten onneembare vestingen. Maar Chopin zou Chopin niet zijn, als hij in deze stukken was blijven steken in pure virtuositeit. Stuk voor stuk zijn de etudes namelijk muzikale schoonheden en eersteklas concertmuziek.

Voor iedere concertpianist in opleiding zijn Chopin-etudes dagelijkse kost. Regelmatig klinken ze ook op het podium, maar als regel blijft het bij een kleine selectie en vaak betreft het toegiften. Vooral opus 10 nr.3, bijgenaamd 'Tristesse', en de 'Revolutie-etude' (opus 10 nr. 12) zijn voor dat doel heel gewild. Weliswaar wisten talrijke pianisten een complete uitvoering in de platenstudio tot een goed einde te brengen, maar publiekelijk gebeurt dat maar zelden. Dinsdag schaarde Louis Lortie zich in het selecte gezelschap van Maurizo Pollini en Youri Egorov, die dit huzarenstuk ook geleverd hebben. Overigens speelde hij behalve opus 10 en opus 25 ook nog de drie etudes die Chopin zonder opusnummer schreef voor de pianomethode van Moscheles en Fétis.

Omdat het technische element zo spectaculair is, dreigt zo'n etude-integrale al snel meer een sportieve dan een artistieke gebeurtenis te worden. Daarbij komt nog dat het niet zeker is of Chopin deze werken bedoeld heeft om als geheel te spelen. In het deze maand verschenen boek 'De Chopin Etudes in historisch perspectief' (Uitgave De Toorts) toont de Nederlandse auteur Jan Marisse Huizing echter aan dat er in beide opusnummers een logische volgorde te zien is in de relaties tussen de toonsoorten en een kennelijk weloverwogen afwisseling van stemmingen en tempi.

Louis Lortie was hier onmiskenbaar van op de hoogte, want zonder tussen afzonderlijke etudes applaus te nemen, wist hij ieder opus in één grote spanningsboog neer te zetten. Juist dat muzikale aspect maakte dat deze uitvoering veel meer was dan een circusnummer.

Lortie bleek over een sublieme techniek te beschikken, die geschikt is voor de extreme verschillen die in de etudes te vinden zijn. Het aantal foute noten of andere mislukkingen bleef tot een minimum beperkt, maar belangrijker was dat hij met zijn frisse spel vaak tot prachtige instrumentale kleuren kwam. Fenomenaal waren bijvoorbeeld zijn leggiero in opus 10 nr.2, de vertellende speelwijze in de snelle Etudes in F opus 10 nr.8 en in de lyrische Etude in cis opus 25 nr.7, of de staccato's in opus 25 nr.9, de zogeheten 'Vlinder-etude'.

Tegenover het vele schoons stonden enkele zaken die vooral een kwestie van smaak en stijl zijn. De openingsetude uit opus 10 mag wat mij betreft wat minder gehamerd en ademender klinken. De 'Revolutie-etude' (ook uit opus 10, nr 12) eindigde Lortie met een verbreding in de laatste twee akkoorden, waarschijnlijk om aan te geven dat hier het eerste boek eindigt; de passie van dit stuk wordt echter meer recht gedaan met een abrupter einde zonder concessies te doen aan het tempo. Een algemeen punt van kritiek is dat Lortie over het algemeen veel nadruk legt op melodieën in de rechterhand. Vaak kregen bassen net iets te weinig draagkracht of warmte en ook in de middenstemmen is er meer te beleven dan Lortie liet horen, met name in de arpeggio-etude (opus 10 nr.11).

Het moge duidelijk zijn dat deze kritische kanttekeningen daadwerkelijk van marginaal belang zijn in het licht van de grote prestatie die Lortie leverde. Een concert om niet gauw te vergeten.

mailIcon print |