*

 
dossier

Archief

Winterse aanvoer van pestvogels, witbuiken en een grote trap

GUUS VAN DUIN − 25/01/96, 00:00

AMSTERDAM, ROLDE - De aanhoudende winter en vooral de winterkou in het hoge noorden, brengen grote aantallen zeldzame vogels naar ons land. De afgelopen weken zijn bij voorbeeld al honderden pestvogels opgedoken. Werden ze aanvankelijk vooral langs de Hollandse kust gezien, de laatste dagen zoeken ze ook het binnenland op.

Pestvogels - fraaie lilakleurige vogels ter grootte van een spreeuw, met een parmantige kuif - zakken maar eens in de zoveel jaar naar het zuiden af. Hun verschijnen in ons land is, in tegenstelling tot dat van veel andere trekvogels, onvoorspelbaar maar in ieder geval afhankelijk van de voedselsituatie in het noorden en noordoosten van Europa. Zij voeden zich vooral met bessen en wanneer die schaars zijn, komen de pestvogels ook wel in West-Europa terecht.

Deze eeuw zijn er vijf grotere invasies geweest, waarbij duizenden vogels gezien werden. De laatste was in november 1988, de grootste intocht was in de winter van 1965/66, toen zeker 11 000 pestvogels werden gezien. Opmerkelijk is het vrij late begin van de huidige invasie.

Ook witbuikrotganzen doen het goed. Dit ras van ons gewone 'rotje' broedt op Groenland en Spitsbergen en overwintert normaal vooral in Ierland en Noord-Engeland. Er zijn nu al bijna 400 witbuiken gezien, waarmee deze winter de beste van deze eeuw is. Tijdens de laatste invasies van 1978/79 en 1981/82 werden ruim 100 respectievelijk 190 exemplaren gezien.

Vermoedelijk is niet zozeer de kou, als wel het vroeg invallen van de winter de oorzaak van het hier te lande verschijnen van de witbuikrotganzen. Achter de Hondsbossche Zeewering (N-H) verblijven er zeker 160. In tegenstelling tot eerdere invasies zijn ook veel exemplaren in het binnenland te vinden, bij voorbeeld in de Friese Zuidwesthoek.

Een stevige trekpleister voor vogelaars is een grote trap bij het Drentse Rolde. De enorme gansachtige vogel (het gaat om een mannetje, deze kunnen 18 kilo zwaar worden) is vooral aantrekkelijk omdat hij schuw en ongeringd is. Als er de laatste jaren al grote trappen bij ons opdoken, ging het vaak om tamme, geringde exemplaren. Grote trappen worden namelijk bedreigd, doordat steeds meer van hun oorspronkelijk leefgebied verdwijnt. Om hun achteruitgang een halt toe te roepen werd in het voormalige Oost-Duitsland een herintroductieprogramma opgezet, waarbij grote trappen werden gekweekt in buitenstations, vergelijkbaar met wat in Nederland met ooievaars is gebeurd. De trappen waren door het contact met hun verzorgers ook na het in vrijheid stellen dermate tam, dat vogelaars uit het zien van zo'n tam beest meestal niet al te veel bevrediging haalden.

Maar de spannendste vogel in de ogen van de soortenjagers moet nog komen: de haakbek. Deze forse vinkachtige bewoner van de taiga dringt al sinds begin november op naar zuidelijker streken. Finland, Zweden en Noorwegen hebben intussen behoorlijk wat haakbekken op bezoek gehad, maar tot nog toe is er nog geen een onze grens gepasseerd.

Sommige Nederlandse vogelaars werden dermate zenuwachtig van de naderende vogels, dat ze hun eventuele komst niet wilden afwachten, en ze in december voor de zekerheid maar vast tegemoet reisden: in Oslo scoorden ze de eerste haakbek voor hun life list. De laatste keer dat in Nederland een haakbek werd gezien, was in 1928.

mailIcon print |