Al in 1990 werd voortijdig schoolverlaten tot beleidsprioriteit verheven. Maar tot eind vorig jaar gebeurde er vooral niets. Dat moet vanaf vandaag veranderen. Vier regionale bijeenkomsten gaan de zegenende werking van zogenaamde 'regionale meld- en coördinatiepunten' verbreiden. Dat gebeurt dan in de hoop dat het aantal onvoldoende geschoolde jongeren over drie jaar is gehalveerd: van 135 000 tot 67 500 per jaar.
Het klinkt ongeloofwaardig, want de school herbergt leerlingen die zeer moeilijk leren en zelfs het laagste A-niveau van het VBO niet aankunnen. Maar ook die halen de eindstreep, aldus Hanson.
Leerlingen die niet verder komen dan het A-niveau van het VBO vormen een enorm probleem. Want het A-examen is een schoolexamen, dat landelijk niet wordt erkend. Dus zegt zo'n papiertje de werkgevers niets. Ook is het A-diploma onvoldoende om de scholier tot het leerlingwezen toe te laten, wat betekent dat er voor deze groep eenvoudigweg geen vervolgonderwijs bestaat. Dus uit gebrek aan toekomstperspectief geven deze leerlingen er in het VBO al snel de brui aan.
Het geheim van het succes van het Nova College is: werken en leren tegelijk. Tot hun vijftiende jaar volgen alle leerlingen een normaal schoolprogramma. Wie het aankan leert daarna gewoon door en doet VBO-examen. Voor de anderen staan er twee wegen open. De dichtst bevolkte route is die waarbij de leerlingen veertig uur per week op school zijn. Ze volgen een onderwijsprogramma dat door het leerlingwezen wordt erkend als voldoende om toegelaten te worden, een zogeheten 'voorschakelprogramma'.
In het schooljaar 1993/'94 deed de school dat voor het eerst met een voorschakelprogramma metaal. De leerlingen moeten veertig uur naar school en daar werken ze in een praktijkruimte, een bedrijfssimulatie. Ze leren voornamelijke sociale vaardigheden: hoe ze zich in een bedrijf horen te gedragen. En ze doen veel kennis op van materialen en gereedschappen.
Het tweede programma is voor leerlingen die dit nog te zwaar is, en dat zijn er op het Nova College steeds minder. Zij zullen aan doorleren niet toekomen en daarom is alles erop gericht hen aan een baan te helpen. Ze gaan vanaf hun vijftiende vier dagen per week naar school en werken een dag in een bedrijf. Bij de plantsoenendienst van de gemeente bij voorbeeld, of bij een bouwbedrijf. Hier komen dan echte banen uit voort, vertelt Hanson. “Ik weet dat eentje bij voorbeeld bij de Kwit-Fit terecht is gekomen.”
Landelijk bezien verlaat een op de drie VBO-leerlingen het onderwijs zonder diploma. Dat is twee keer zoveel als gemiddeld in de eerste fase van het voortgezet onderwijs: zestien procent van alle leerlingen die jaarlijks de school verlaten, doet dat zonder diploma op zak. Het gaat dan om 37.500 leerlingen per jaar, berekende T. Eimers, onderzoeker van het Nijmeegse onderzoeksinstituut ITS.
Dat is heel wat. En eigenlijk is het probleem nog veel groter. Want met alleen een VBO- of mavo-diploma kom je tegenwoordig niet ver, aldus de overheid. Vandaar dat enkele jaren geleden het begrip 'startkwalificatie' is ingevoerd. Een schoolverlater moet minstens het niveau van het primair leerlingwezen hebben om als 'geschoold' door het leven te gaan. En dat niveau haalt 42 procent van de schoolverlaters niet: zo'n 135 000 leerlingen per jaar.
Tijd voor actie dus, constateerde de minister in 1993 in de nota 'Een goed voorbereide start'. Er kwamen drie subsidieregelingen, samen goed voor ruim dertig miljoen gulden per jaar. Die moesten ervoor zorgen dat binnen zes jaar de harde kern van de voortijdig schoolverlaters met de helft was teruggebracht.
Maar er gebeurde niets, concludeert de Algemene Rekenkamer in een eind vorig jaar verschenen rapport. Zo bleek uit een enquête onder 130 scholen dat er nog nauwelijks met de introductie van een leerling-volgsysteem was begonnen. Ook was er amper iets van te zien dat er Regionale Meld- en Coördinatiepunten (RMC's) werden opgezet. RMC's zijn samenwerkingsverbanden tussen onderwijs, jeugdhulpverlening, gemeente en justitie die moeten zorgen voor een sluitend registratiesysteem en voor opvang van uitvallers.
Vanaf vandaag gaat de aanpak van uitval echter echt beginnen. In Zoetermeer wordt in opdracht van het ministerie de eerste van vier regionale bijeenkomsten over voortijdig schoolverlaten gehouden. Deze moeten de kennis over het onderwerp verbreiden en de aanpak van het probleem stimuleren. Daartoe is een almanak gemaakt door bureau Sardes, een 340 bladzijden dikke bijbel over voortijdig schoolverlaten, met een inventarisatie van al het bestaande onderzoek.
In Dordrecht is al enige ervaring opgedaan met een RMC, al is het allemaal nog in een pril stadium. In het samenwerkingsverband zitten de leerplichtambtenaren van de 21 gemeenten in de regio en vertegenwoordigers van het middelbaar beroepsonderwijs, leerlingwezen en volwassenenonderwijs. Van samenwerking met de jeugdhulpverlening is voorlopig maar even afgezien omdat in Dordrecht, net als elders in het land, onderwijs en hulpverlening elkaar voortdurend in de haren zitten.
Ook de eerste fase van het voortgezet onderwijs doet niet mee, maar dat om een heel andere reden. RMC-coördinator Ton van de Berg: “We hebben in Dordrecht al een uitgebreid samenwerkingsverband voor leerlingen in de leerplichtige leeftijd. Dat houdt verband met het sociale vernieuwingsbeleid en de opzet onderwijsvoorrangsgebieden in de gemeente. Het werkt heel goed. Tot 1992 hadden we in Dordrecht 130 voortijdige schoolverlaters op de 15 000 leerplichtige leerlingen. Nu zijn dat er nog 25.”
Dus het Dordrechtse RMC concentreert zich op de zestien- en zeventienjarigen die zonder startkwalificatie het ruime sop kiezen. “Het primair leerlingwezen en het kort middelbaar beroepsonderwijs blijken de hofleveranciers voor het voortijdig schoolverlaten. Gemiddeld de helft valt uit”, vertelt Van de Berg. Dat cijfer geldt overigens ook landelijk. Cynisch genoeg zijn het juist deze onderwijssoorten die de problemen kunnen aanpakken. Zij beschikken immers over de nauwste banden met het bedrijfsleven. Intensievere samenwerking, ook met arbeidsbureaus en beroepsgericht onderwijs voor volwassenen kan er voor zorgen dat geen leerling meer zonder startkwalificatie buiten de boot valt.
ITS-onderzoeker Eimers, die het probleem van voortijdig schoolverlaten ook in het buitenland bestudeerde, juicht deze ontwikkeling toe. Hij wijst op Zweden, waar uitval niet bestaat omdat het opvangcircuit iedereen een plaatsje biedt. Overigens doet Nederland het in vergelijking met andere buitenlanden niet overdreven slecht. Het percentage voortijdige schoolverlaters schommelt overal zo rond de twintig procent, aldus Eimers.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.