Het vierde nummer van de honderdveertigste jaargang (¿ 16,50) gaat grotendeels over God. Verschillende schrijvers en dichters spreken zich over Hem uit, vaak in weinig conventionele zin.
Désanne van Brederode, die er in haar debuutroman 'Ave Verum Corpus' allerminst een geheim van maakt dat ze in God gelooft, schrijft Hem een brief: 'Lieve God'. Ze beschimpt de 'heilsventers' van de Evangelische Omroep en meent dat God daar gezocht en gevonden wordt “waar geen woord wordt gezegd, gehoord, geschreven of gelezen”. Paul Claes denkt daar heel anders over, want hij vat alle woorden die wij lezen, schrijven of horen als afschaduwingen van het Woord dat God is. “In deze wereld is elke spraakverwarring een getuigenis voor God en ieder woord, hoe dwaas, arm en duister ook, een woord van hem.” Anneke Brassinga is atheïstisch opgevoed, maar heeft bij het luisteren naar de muziek van Arnold Schönberg de stellige indruk met het werk van God van doen te hebben. Zij ziet God als iemand die het lijden ernstig neemt (zoals Schönberg wist te doen in zijn muziek), “al is het wel bijna onverenigbaar met leven - zoals de God die ik mij voorstel onverenigbaar is met leven, maar wel al mijn en andermans en niemands doden opeet en onverlet verteert.” Buiten het thema valt een prachtige verhandeling van Piet Meeuse over de doorkijkjes en de lichtval op de schilderijen van Pieter de Hooch, waarin naar zijn mening het alledaagse boven zichzelf uit wordt getild, een 'goddelijke' aanwezigheid krijgt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.