*

 
dossier

Archief

Als een orthodoxe tussen kaft en kaft vragen heeft/Dr. B Loonstra blijft voorzichtig bij de traditie voor anker

AGNES AMELINK − 23/01/96, 00:00

HOOGEVEEN - Voor de buitenwacht is het eenvoudig. Orthodoxe christenen nemen de Bijbel letterlijk, van kaft tot kaft. Oppervlakkig beschouwd gaat dat misschien op, maar ook in de gereformeerde gezindte wordt wel degelijk, zij het behoedzaam, gestudeerd op de houdbaarheid van bijvoorbeeld het scheppingsverhaal of moeilijk weg te redeneren tegenstellingen tussen de vier evangeliën. Héél voorzichtig, dat wel.

Als je eenmaal aan één draadje begint te trekken zul je uiteindelijk niets van het breiwerk overhouden. Ongeveer langs deze weg maakte de Leidse hoogleraar H.S. Versnel in 1990 korte metten met het hele christelijke geloof. Datzelfde denken weerhoudt de meerderheid van de gereformeerde orthodoxie (de gereformeerde bond in de hervormde kerk, de vrijgemaakt-, Nederlands- en christelijke gereformeerden - samen al gauw zo'n 700 000 zielen) ervan, zich teveel vragen te stellen over de geloofwaardigheid van de Schrift. Toch gebeurt het wel, in wat je met enige fantasie de 'linkerflank van de orthodoxie' zou kunnen noemen.

Twee jaar geleden pleitte de gereformeerde bondspredikant dr. J. Hoek nadrukkelijk voor nadere studie naar de wordingsgeschiedenis van de Bijbel. Onder het motto: je kunt vragen beter stellen dan ze wegmoffelen of verdoezelen. Ook van bijvoorbeeld theologiestudenten in de vrijgemaakte kerken is bekend dat zij worstelen met de letterlijkheid van bepaalde Bijbelplaatsen. Het verst gaan de Nederlandse gereformeerde kerken, waar anders omgaan met het Schriftgezag bijvoorbeeld al heeft geleid tot de openstelling van het diakenambt voor vrouwen.

Ds. Geelkerken

Deze ontwikkelingen verlopen niet geruisloos. De vragenstellers zijn ver in de minderheid en de meerderheid geeft geregeld luid en duidelijk van haar afkeuring blijk. Die deining blijft overigens beperkt tot de eigen kerkelijke kring - de grote protestantse kerken hebben het allemaal al gehad. Van dominee Geelkerken in de jaren twintig (uit de kerk gezet omdat hij meende dat de slang in het paradijs mogelijk nooit echt gesproken had) tot professor Kuitert in de jaren negentig (“alle spreken over boven komt van beneden”).

De Christelijke gereformeerde kerken (plm. 75 000 leden) werden verleden jaar opgeschrikt door een boek, waarin dr. B. Loonstra zijn visie geeft op het Schriftgezag. In 'De geloofwaardigheid van de Bijbel' (Boekencentrum, 1994) legt de Hoogeveense predikant uit hoe je volgens hem de Bijbel kunt lezen zonder te struikelen over evidente tegenstrijdigheden. Loonstra's begin- en eindpunt daarbij: het Oude en Nieuwe Testament zijn het geschreven Woord van de betrouwbare en levende God. Dit uitgangspunt belet hem niet helder op een rij te zetten op welke moeilijkheden de twintigste eeuwse Bijbellezer stuit. Kort gezegd: je kunt alles wat er in de Bijbel staat wel letterlijk nemen, maar dan moet je ook volhouden dat de zon om de aarde draait. Dan verwerp je Copernicus, en Galileï.

Loonstra onderscheidt drie soorten ongerijmdheden: daar waar de Bijbel ogenschijnlijk zichzelf tegenspreekt (voor wie is Kaïn bang als hij Abel heeft doodgeslagen?), informatie uit buitenbijbelse bron (zie boven) en de normatieve geldigheid (alle geweld in het Oude Testament en de positie van de vrouw in het Nieuwe). De moeilijkheden die de twintigste-eeuwse bijbellezer tegenkomt hebben alles te maken met de kloof tussen onze ervaringswereld en die van de Bijbel. En de brug over die kloof, zegt Loonstra, is de notie van het overdrachtelijk spreken van God in Zijn openbaring.

Zit je daarmee niet op één lijn met de modernisten die van Gods openbaring nagenoeg niets meer letterlijk nemen? Zodat de kern van de Heilsboodschap, de verlossing van de zondige mens door dood en opstanding van Jezus Christus, op den duur in gevaar komt?

Nee, zegt Loonstra, als je maar weet te onderscheiden tussen metaforen die bepalend zijn voor de heilswerkelijkheid en louter verhelderende metaforen. De lichamelijke opstanding van Jezus is onmisbaar voor de heilswerkelijkheid. De voorstelling dat Jezus bij de Hemelvaart door een wolk aan het oog werd onttrokken is niet essentieel - het gaat immers om het gegeven dat hij de onzichtbare werkelijkheid van God is binnengegaan. De voorstelling met de wolk sloot aan op het toenmalige wereldbeeld van de woonplaats van God boven lucht en wolken.

Om deze denkbeelden, hier sterk vereenvoudigd samengevat, heeft Loonstra het afgelopen jaar forse kritiek te verduren gekregen. Het scherpst wel uit de uiterst behoudende hoek van zijn eigen kerk. In Bewaar het Pand schreef ds. P. den Butter dat Loonstra hier veel te ver was gegaan. ('We moeten de stormbal hijsen'.) De teneur van Den Butters reactie: 'zo is het in de gereformeerde kerken met Kuitert c.s. óók begonnen en kijk eens waar ze uitgekomen zijn'. . .

In De Wekker, het min of meer officiële blad van de chr. gereformeerden was prof. J. van Genderen milder van toon, maar ook kritisch. Dr. J. Hoek (gereformeerde bond, in Koers) en A. L. de Bruijne (vrijgemaakt, in De Reformatie) waren eveneens duidelijk: goed geprobeerd, van Loonstra, maar niet bruikbaar.

Op zijn Hoogeveense studeerkamer knikt dominee Loonstra een paar keer bedachtzaam. Inderdaad, zo op het oog is iedereen over zijn boek gevallen. Ook degenen van wie enige erkenning verwacht mocht worden. “Ik had er rekening mee gehouden - je roept ten slotte ook iets op.”

Maar dat was geen reden om het boek niet te laten verschijnen: “Ik ervoer voor mijzelf de noodzaak om het te doen. Als ik niet publiceer, terwijl ik op mijn studeerkamer tot deze inzichten gekomen ben, dan word ik onwaarachtig. Bovendien, je komt als kerken op den duur toch klem te ziten. Bijvoorbeeld in discussies over de vrouw in het ambt wordt er voortdurend, door vóór- en tegenstanders, een beroep op de Schrift gedaan. (De bijbelse 'zwijgteksten' beschouwt Loonstra in zijn boek als tijd- en cultuurgebonden - aa.) Dan moet er helderheid komen over de regels van bijbeluitleg die je hanteert. Op deze manier kan ik mensen ook helpen. Niet iedereen laat deze vragen toe in zijn leven. Maar tegen hen die dat wel doen en daardoor met hun geloof in de knoop raken, zeg ik met mijn boek: het is niet nodig dat je het zo ver laat komen.”

Er zijn al veel geleerde gelovigen, ook gereformeerden, geweest die Loonstra zijn voorgegaan in het stellen van vragen. Waarom dan toch weer zo'n persoonlijk doorwrocht - en ongetwijfeld doorworsteld - antwoord? Loonstra: “Als ik boeken onder ogen had gehad waarvan ik dacht 'dat is het nou', dan zou ik heus het mijne niet geschreven hebben. Wat je bijvoorbeeld in de jaren zeventig in de gereformeerde kerken hebt zien gebeuren is dat de neiging bestaat om afstand te nemen van de Bijbel als het Woord van God. Bij de antwoorden is men toen niet strak genoeg vanuit de traditie te werk gegaan. Ik wil een open oog voor zaken waar we niet omheen kunnen, maar tegelijk ga ik bij de traditie voor anker. Vanuit de principiële erkenning van de Bijbel als Gods geopenbaarde Woord ben ik op zoek gegaan naar de praktische geloofwaardigheid. Die erkenning is geen theologische conclusie, maar een diepe religieuze overtuiging.”

De christelijke gereformeerde kerken waartoe Loonstra behoort en waaraan hij volgens eigen zeggen verknocht is - “het is toch je klankbord” - lijken zich op het ogenblik naar binnen te keren. De synode die najaar 1995 bijeenkwam nam verschillende besluiten die daarop wijzen. Een direct verband tussen zijn gedurfde boek en de 'ruk naar rechts' van zijn kerken ziet Loonstra niet. De houding van de synode zal eerder een reactie zijn op ontwikkelingen die veel breder terrein betreffen: de secularisatie en de ontzuiling, de kerkverlating van veel jongeren, denkt hij. “De broederlijke sfeer was heel goed, hoor ik van de deelnemers. En een synode als geheel heeft geen motieven, individuele synodeleden hebben dat wel. Hoe dit soort dingen in z'n werk gaan is toch ongrijpbaar - bovendien is het onvruchtbaar.”

Aan de reacties op 'De geloofwaardigheid van de bijbel' heeft Loonstra wel gemerkt dat er erg veel afweermechanismen werken in zijn kerken. Een echte discussie over de problemen die hij aansnijdt is er dan ook nauwelijks gekomen. Heftig polemiseren past ook niet zo erg bij de christelijke gerformeerde stijl. Juist vanwege de bestaande tegenstelling tussen enigszins open en ultra behoudend, zo lijkt het wel. Bij gereformeerde bonders en vrijgemaakten is dat wel anders, constateert Loonstra. Die stellen de zaken allemaal wat scherper.

Eenzaam

Het uitblijven van een inhoudelijk debat in zijn eigen kerk zal Loonstra niet weerhouden met zijn arbeid voort te gaan. “Ik voel me theologisch vaak nogal eenzaam; om dat te doorbreken moet je wel uit je studeerkamer komen.” Beïnvloed door de zogeheten Utrechtse school, die vooral een logisch consistente manier van theologie-beoefening voorstaat, wil hij de Schrift volgens heldere en dus ondubbelzinnige principes uitleggen. Wat dit betreft is er in de gereformeerde traditie doorgaande bezinning nodig, aldus Loonstra. Angst dat de Schriftkritiek hem uiteindelijk in de armen van het modernisme zal drijven heeft hij niet.

“Ik ben niet een bepaald pad ingeslagen, met mijn boek heb ik de bakens uitgezet waarbinnen ik wil blijven. Vooral de ethische implicaties van mijn stellingname - critici hebben Loonstra verweten dat hij het huidige waardenpatroon als normatief beschouwt voor het verstaan van de bijbel - wil ik nog wel eens nader uitwerken.”

mailIcon print |