Met de evaluatie van de mestwetgeving ophanden, kan de Tweede-Kamerfractie van de VVD de discussies over ammoniak nauwelijks meer volgen. Parlementariër Piet Blauw roept daarom maandag in Den Haag een aantal natuurwetenschappers bijeen om de harde feiten boven water te krijgen. Maar volgens de mest-deskundige van de stichting Natuur en Milieu had Blauw er beter aan gedaan om ook een aantal sociale wetenschappers uit te nodigen.
De verwarring over ammoniak en het milieu duurt nu al minstens tien jaar. Sinds de eerste duidelijke aanwijzingen dat miljoenen varkens, koeien en kippen meer mest, en vooral NH3, ammoniak, produceren dan de natuur kan behappen, vliegen boeren, wetenschappers en politici elkaar voortdurend in de haren over de gevolgen, en over wat te doen met die overmaat aan mineralen.
Dus eerst nog even voor de duidelijkheid: ammoniak stinkt verschrikkelijk, maar het kan geen zure regen produceren. Chemisch gezien is ammoniak een base, het tegenovergestelde van een zuur. Voor liefhebbers: NH3 kan met een zuur als H2SO4 een neutraal ammoniumzout, (NH4)2SO4 vormen. Het kan dus hooguit zure regen neutraliseren. Zure regen wordt wèl gevormd door zwavel- en stikstofoxiden die vrijkomen uit schoorstenen van bijvoorbeeld kolengestookte elektriciteitscentrales en de uitlaten van auto's.
In de bodem is het een ander verhaal. Daar wordt ammoniak, of het nu met de nieuwste voorgeschreven machines onder de zoden is gestopt of via de lucht daar terecht komt, onder invloed van zuurstof door bacteriën omgezet in het sterk zure salpeterzuur. Wederom voor liefhebbers: tijdens 'nitrificatie' door bacteriën wordt NH4 geoxideerd tot H2O, NO3-en 2H+. Het nitraat NO3- kan uitspoelen naar het grondwater en het zuur, H+ blijft achter. Is er weinig zuurstof in de bodem, bijvoorbeeld in natte veengronden, dan vindt die nitrificatie niet of nauwelijks plaats. Tot zover is iedereen met een beetje verstand van de bodemchemie het nog eens.
Wat ammoniak vooral doet, is bemesten, ook daar bestaat nog net overeenstemming over. De stikstof uit ammoniak dient als bouwstof voor planten, dus meer ammoniak geeft een rijker bemeste bodem. Maar van die rijke bemesting profiteert slechts een beperkt aantal planten. De meeste planten houden juist van een voedselarme bodem, waardoor een bodem rijk aan mest juist armer aan vegetatie wordt. Te veel ammoniak lijkt daardoor slecht voor de biodiversiteit. Kleurige heidevelden bijvoorbeeld veranderen onder invloed van ongewilde bemesting in 'saaie' graslanden. Maar hoe erg dàt is, daarover schieten de meningen ineens uit elkaar.
Eind 1995 publiceerde de Stichting HAN het rapport 'De wetenschappelijke basis van het Nederlandse ammoniakbeleid'. Deze stichting is voortgekomen uit een internationale groep wetenschappers die in 1992 vanuit Heidelberg een oproep deed aan de milieuconferentie in Rio de Janeiro om zich vooral aan de wetenschappelijke feiten te houden.
In het rapport concludeert de stichting dat er nogal wat schort aan de onderbouwing van het beleid waarmee met name onze boerenstand wordt aangepakt. Hun woordvoerder, prof. Albert Cornelissen: “Basis voor het Nederlandse verzuringsonderzoek was de gedachte dat onze bossen wegkwijnden onder de zure regen. Inmiddels weten we dat dat niet zo is, maar het grote publiek, waar toch het draagvlak voor beleid vandaan moet komen, leeft nog steeds met dat idee.”
“Bovendien”, zo stellen de onderzoekers van HAN in hun rapport, “worden boeren nu dankzij de Interimwet ammoniak en veehouderij beoordeeld op basis van zogeheten emissie- en depositietabellen.” In emissietabellen staat hoeveel ammoniak een gemiddeld boerderijbeest de lucht in stuurt. In de depositietabellen is vervolgens berekend hoeveel van die ammoniak op welke afstand van een bedrijf in de bodem verdwijnt. Maar met name die depositietabellen hebben een te fors natte-vinger-gehalte, vindt HAN.
Cornelissen: “Op landelijke schaal zijn depositietabellen goed bruikbaar. Maar ze houden geen rekening met bijvoorbeeld het vermogen van de bodem in de buurt van een varkensbedrijf om ammoniak wel of niet te neutraliseren. Bovendien is het ene biotoop het andere niet. De effecten van overbemesting kunnen op verschillende gebieden heel anders uitpakken. Om een boerenbedrijf dat toevallig te dicht bij een willekeurig 'verzuringsgevoelig gebied' staat, tot verhuizen te dwingen, of zelfs te sluiten op basis van gegevens met meer dan vijftig procent onzekerheid, dat kun je volgens ons niet maken.”
De essentie van het mest- en ammoniakbeleid van de overheid is dus niet meer in de eerste plaats de verzuring, maar de eutrofiering of overbemesting. Terminologie als 'verzuringsgevoelige gebieden' lijkt daarbij slechts een onhandige erfenis uit het verleden. De werkelijke reden waarom boeren niet te veel ammoniak mogen laten vliegen, is dat mest alleen daar terecht mag komen waar hij bedoeld is.
Als ammoniak via de lucht ook de nabijgelegen natuur gaat voeden, dan zou dat drastische gevolgen kunnen hebben voor die natuur. Boeren moeten hun mest daarom ook binnen vierentwintig uur na het uitrijden onder de grond gemoffeld hebben. Dat daarmee de eventuele verzuring, die immers alleen in de bodem optreedt, wordt gemaximaliseerd, wordt voor lief genomen.
Maar Cornelissen denkt dat we ons over overbemesting en biodiversiteit wellicht niet eens zoveel zorgen hoeven te maken. “De overheid heeft op een gegeven moment de zogeheten Ecologische hoofdstructuur vastgesteld, met daarin de te beschermen natuur van Nederland. Dat is een subjectieve keuze geweest, die vervolgens drastische gevolgen heeft voor verder overheidsbeleid. Het publiek realiseert zich dat niet. En je zou je bijvoorbeeld ook best af kunnen vragen of iedere verandering in de natuur per definitie wel zo slecht is.”
Cornelissen wil ook graag dat zijn kinderen in de toekomst nog van natuur kunnen genieten. “Maar ik vindt ook dat ingrijpend beleid zoals de Interimwet ammoniak en veehouderij' op basis van heldere wetenschappelijke feiten zou moeten worden afgewogen. En als het al op subjectieve of emotionele gronden gebeurt, zoals bijvoorbeeld nu met de Ecologische hoofdstructuur, maak dat dan aan iedereen duidelijk.”
De kritiek van HAN is behalve bij de boeren nog niet bepaald in vruchtbare aarde gevallen. Milieuorganisaties bij voorbeeld haastten zich te stellen dat het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne, de wetenschappelijke broedstoof voor het Nederlandse milieubeleid, toch niet de eerste de beste hobbyisten herbergt. “Het Additioneel programma verzuringsonderzoek (APV) van het RIVM werd in de loop der jaren regelmatig getoetst door diverse internationale wetenschappers. En met goed gevolg, dus wat denken ze wel, daar bij HAN?” Overheid en milieugroeperingen zullen niet vaak zo op één lijn zitten als nu in de ammoniakdiscussie.
Het RIVM voelt zich ondertussen nauwelijks aangesproken door de kritiek van HAN. In een eerste reactie op de ongevraagde contra-expertise, schreef het instituut het volste vertrouwen te hebben in het onderzoek dat aan het APV ten grondslag heeft gelegen. “HAN heeft blijkbaar alleen de samenvattende rapporten gelezen, en niet de onderzoeksverslagen die erbij horen”, zo schrijft de APV-projektgroep, op zijn beurt in reaktie op de samenvatting van het HAN-rapport. “De bossen gaan inderdaad niet dood, daar heeft HAN gelijk in, maar dat hebben wij ook nooit beweerd.”
Ook milieugroeperingen erkennen nu dat de bossen niet op sterven na dood zijn, zoals de nieuwslezers eind jaren tachtig ongestraft op radio en televisie mochten beweren. Maar dr. Wim de Vries, bodemchemicus bij het Wageningse DLO-Staringcentrum, een onderzoeksinstituut voor het landelijk gebied, zal de komende week tijdens de discussie met Piet Blauw aan tafel wèl onderzoek kunnen presenteren waaruit blijkt dat bijvoorbeeld de weerstand van bomen onder invloed van teveel ammoniak gestaag afneemt. De Vries: “Door extra stikstof blijken bomen meer blaadjes en minder wortels te vormen. Ze worden daardoor bijvoorbeeld veel gevoeliger voor perioden van droogte.”
Ook het bufferend vermogen van de Nederlandse bosbodem neemt langzaam af door het zuur dat indirect via ammoniak door de lucht wordt aangevoerd. Aluminium verbindingen in de bodem breken onder invloed van nitraat af, en neutraliseren zo de schadelijke werking van het zuur. Een vervelende bijwerking hiervan is dat het vrijgemaakte aluminium giftig is voor planten en dieren. Wanneer op een gegeven moment alle aluminiumverbindingen naar het grondwater zijn verdwenen, zal het zuur, of het nu van de boerderij of uit een schoorsteen kwam, zijn schadelijke werking op de planten kunnen botvieren.
Maar volgens Staring-onderzoeker Wim de Vries hoeft daarover nog geen stormbal te worden gehesen. Bij zijn promotieonderzoek over bodemverzuring in 1994 concludeerde hij dat er meer rek zit in de belasting van de bosbodem dan de overheid destijds wilde laten blijken. Hij werd naar eigen zeggen ook gestimuleerd om vooral in díe gebieden te meten waar een extreme varkensdichtheid en dus een hoge ammoniak- en zuurbelasting heerste. Want alleen zo kon het strenge mestbeleid van het milieuministerie met wetenschappelijke gegevens gerechtvaardigd worden.
Omgekeerd heeft wellicht ook HAN enige vertekening van de feiten op zijn geweten. In een reactie op het HAN-rapport schreef het samenwerkingsverband van natuur- en milieuorganisaties dat al bij een derde van de drinkwaterwinning op zandgronden sprake is van een nitraatprobleem. Met behulp van speciale nitraatfilters moet daar nu of in de nabije toekomst het grondwater tegen hoge extra kosten geschikt worden gemaakt voor consumptie, “gegevens die door HAN worden gebagatelliseerd.”
Maar wat prof. Cornelissen betreft, van huis uit parasitoloog bij de Utrechtse faculteit diergeneeskunde, heeft hij nog geen reacties op de werkelijke essentie van het rapport mogen vernemen. Want HAN vindt in het algemeen dat het publiek te eenzijdig wordt voorgelicht over milieuproblematiek. “Vooruitgang en ontwikkeling houden altijd bepaalde risico's in, maar die risico's worden eerder kleiner dan groter.” De brochure van het Heidelberg Appeal ademt dan ook een diep vertrouwen in de wetenschap.
En dat is misschien veel meer de essentie van de discussie dan de vraag wat NH3 precies in de bodem doet. “De discussie over ammoniak zou een stuk helderder worden, wanneer je erkent dat het niet langer een wetenschappelijk, maar een sociaal-cultureel probleem is geworden”, zegt Dolf Logemann, mest-deskundige van de Stichting Natuur en Milieu, en komende maandag eveneens gezeten aan de ronde tafel van Blauw. “Boeren zijn door hun organisaties, maar ook door dissidente wetenschappers, in het verleden vaak op het verkeerde been gezet. Men verzet zich dus nu met hand en tand tegen alles wat met ammoniakbeleid te maken heeft. Daarom wordt het HAN-rapport door de agrarische wereld ook zo enthousiast omarmd”, denkt Logemann.
Hij is het overigens met HAN eens dat politici in het maken van beleid veel informatie moeten afwegen. “Maar met zoiets kwetsbaars als het milieu kan je niet blijven wachten tot alle feiten spijkerhard op tafel liggen. Wat ons betreft is het ammoniakverhaal, ook wetenschappelijk gezien, voldoende duidelijk om nu maatregelen te nemen. En dan moet je niet economische groei, economische groei en economische groei de prioriteiten één, twee en drie geven.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.