Op vrijdag staat het doorsnee universiteitsblad er vol mee: personeelsadvertenties waarin naar studenten wordt gezocht. Per direct! Met spoed! Ons jonge enthousiaste team is dringend op zoek naar! De advertenties vertonen steevast urgentie. De student wordt gezocht als 'avondsecretaresse' ('twee à drie avonden in de week tussen half zes en negen, kennis van word 97 vereist'), als telemarketeer, als medewerker voor de juice bar in de Bijenkorf, als shift leader, barmedewerker, terrasmedewerkers of runner in een café.
De student is in trek als personeelslid. Maar, niet per se in een baan die iets te maken heeft met een studie rechten, economie, Sanskriet of kunstgeschiedenis. En evenmin in een baan die dan wel niets te maken heeft met zo'n studierichting, maar die toch 'academisch werk- en denkniveau' vereist.
Nee, de student is in trek als dommekracht. Was de student tien, vijftien jaar geleden hooguit oppas, werkster of stond hij in het collegejaar weleens een paar weken fulltime tussen de 'echte' arbeiders in de fabriek, tegenwoordig heeft de student een permanent, parttime, flexbaantje.
Volgens het ene onderzoek vijf, volgens het andere twaalf uur per week, snijdt de student kaas of is hij vakkenvuller in de supermarkt, verkoopt de waren van een hamburgerkoning, bedient in een restaurant of bij een benzinepomp, of doet typwerk op een advocatenkantoor waar de juristen na vijven nog een paar uur doorwerken, maar waar de vaste secretaresse dan naar man en kinderen moet, 24-uurs-economie of niet.
Tussen 1981 en 1995, becijferden de bedrijfskundigen Van der Meer (Tilburg) en Wielers (Rotterdam), nam het aantal studenten met een baantje achtvoudig toe. Tegelijk nam ook het 'functieniveau' van die baantjes af: op een statusladder die loopt van 1 tot 7 scoorde het baantje van een student in 1981 nog 2,9. In 1995 was dat gedaald tot 2,5.
Waarom studenten baantjes willen is simpel te verklaren: uit financiële noodzaak. Vooral sinds 1989, toen onderwijsminister Ritzen de beurzen begon uit te kleden, nam die toe. Ritzen vergrootte het bedrag dat een student mag bijklussen van 1000 tot 15 000 gulden. Inmiddels heeft driekwart van alle studenten een baantje, dat maar in een op de vier gevallen aansluit op de opleiding, aldus een rapport uit januari van het Rotterdamse onderzoeksbureau Risbo.
Vraag je studenten hoe ingewikkeld hun baantje is, dan zegt 68 procent: 'het werk dat ik doe zou ook goed gedaan kunnen worden door iemand met hooguit mavo'. Stel je dezelfde vraag aan hun werkgevers, dan beaamt 56 procent dat. Waarom vice versa werkgevers studenten nemen is iets lastiger te verklaren. "Ik hoor werkgevers nóoit zeggen: doe ons maar een student", zegt directeur flexpersoneel mr. S. de Leeuw van Randstad Uitzendbureau stellig. "Al is wel waar dat studenten van aanpakken weten en niet al te moeilijk in de omgang zijn. Dat wel."
Hun opleidingsniveau speelt zelden een rol. Een op de vijf studentenbaantjes is er een in de horeca. De Amsterdamse horeca lijkt al een paar jaar doordesemd van studenten, maar niet alleen uit personeelsgebrek. Ook bij wijze van stijlkenmerk: jong, slim, snel. In Rotterdam is Hotel New York ook zo'n zaak waar je het onmiddellijk na binnenkomst gewaar wordt: hier vormen studenten het bediend personeel.
"Die indruk klopt, en het is ook beleid", zegt Daan van der Have, mededirecteur. "De mensen die je aan tafel bedienen zijn meestal student. De laag daarboven, de gérants, zijn wel in vaste dienst. Dat we dat zo doen heeft twee redenen: de prijs en de sfeer. Die twee redenen zijn even belangrijk. We zijn van mening dat je dit werk zowel door de week als door je carrière heen niet te lang moet doen. Niet vaker dan twee, drie avonden per week en niet langer dan drie jaar. Anders wordt je een horekaffer. Maar we zeggen niet: we willen alleen maar studenten. We zeggen: we willen mensen die er iets naast doen. Er bedienen bij ons dus ook wel niet-studenten. Iedereen die aardig is, die goed met mensen kan omgaan en die een goede basisinstelling heeft, kan bij ons bedienen. Dat het vaak studenten zijn brengt mee dat ze een zekere bagage hebben. Dat is ook een van de overwegingen."
Als ze dat bij HNY al anders zouden willen, dan geldt volgens Van der Have dat de horeca-cao (waarmee ze bij HNY overigens niet werken) het onmogelijk maakt: "De bediening mag je volgens die cao niet volgens Melkert-normen betalen. Dat houdt de instroom tegen van mensen met weinig opleiding, in een bedrijfstak die in beginsel voor die categorie juist veel werkgelegenheid biedt. Dat is een hele rare situatie."
Maar volgens de Risbo-onderzoekers is de horeca juist de enige sector waar de bakken van het Arbeidsbureau te weinig laag opgeleide werkzoekenden bevatten om aan de vraag te voldoen. In alle andere sectoren - winkels, fabrieken, dienstverlening, gezondheidszorg - dringt de werkende student wél een laag opgeleide van zijn plaats. In totaal houden werkende studenten 27 000 fulltimebanen bezet die geschikt zijn voor wie hooguit vbo of mavo heeft. Tenminste, dat beweert het Risbo-onderzoek.
En dat is nog mild vergeleken met de cijfers van de CNV-jongeren, die een jaar geleden uitkwam op een 'verdringing' ter grootte van 100 000 banen. Wat op 180 0000 werkloze laag opgeleiden een flinke slok is. Volgens supermarktgigant Albert Heijn valt het reuze mee met de verdringing. Woordvoerster I. van Kuilenburg: "Ik kan dus niet zeggen hoeveel van onze caissières er vroeger studeerden, en hoeveel nu. Dat houden we niet bij. Wel hebben bepaalde groepen voorkeuren voor bepaalde werktijden. Een herintreedster wil overdag werken, iemand die z'n brood volledig bij Albert Heijn verdient ook. Studenten vullen de avonduren bijna helemaal in. Een filiaalmanager neemt ook niet bij vóórkeur studenten aan, ze zijn niet per definitie prettig personeel. Misschien dat een student de dingen iets sneller oppikt, maar er staat tegenover dat de kans klein is dat hij blijft".
Verdringing? Onzin, zegt ook De Leeuw van Randstad. "Mensen met weinig opleiding willen vast werk, geen flexbaan. Bovendien is de arbeidsmarkt de laatste twee jaar zo krap dat werkende studenten heus niemand verdringen."
Ook minister Hermans van onderwijs denkt dat het reuze meevalt met de verdringing, schreef hij deze week aan een bezorgde Tweede Kamer. Hij beroept zich daarbij op weer ander onderzoek, waarin het alleen 'verdringing' heet wanneer een student en een laag opgeleide tegelijk solliciteren, maar de student wordt aangenomen vanwege z'n opleiding.
"Als je het zo definieert is er natuurlijk weinig verdringing", zegt Risbo-onderzoeker W. Hofman. "Wij komen er op uit dat je 27 000 studentenbanen geschikt kúnt maken voor laag opgeleiden, als je daar althans een optimaal werkend poldermodel voor op touw zet. Of je dat doet of niet is een politieke keus. Nee, ik heb er geen oordeel over als Hermans dat niet doet."
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.