*

 
dossier

Archief

Bronkhorst wenst geen patattenten

Kees de Vré − 28/08/99, 00:00

Het is nog lang geen Kerstmis, maar Scrooge loopt al rond in Bronkhorst, Nederlands kleinste stadje. De karikaturale, maar o zo levensechte vrek uit Dickens' Christmas Carol vermaakt de vele toeristen die Bronkhorst, gelegen aan de boorden van de IJssel, jaarlijks bezoeken. Gepassioneerd vertolkt Sjef de Jong zijn rol. De toeschouwers grinniken verlegen en deinzen soms terug als Scrooge zijn expressieve kop van dichtbij vuur laat spuwen. De Jong zelf lijkt nog het meest te genieten van zijn rollende volzinnen, die soms in het Engels soms in het Nederlands klinken.

De Jong begon in 1988 zijn Dickens-museum in een stadsboerderij en heeft inmiddels een unieke verzameling attributen verzameld, volgens Britse kenners de grootste ter wereld. Onlangs kocht hij op een veiling de wandelstok van Dickens aan voor 13 000 gulden, en vorige week nog schonk de bankiersfamilie Pierson hem een meter boeken van Dickens. Een bejaardenhobby voor een vent met een goed pensioen, zegt hij er zelf van.

De voordrachten van De Jong, een gepensioneerde ziekenhuisdirecteur, zijn een van de attracties die Bronkhorst rijk is. Het stadje met 47 panden en 158 inwoners is een groot monument. Jaarlijks bezoeken vele tienduizenden dagjesmensen deze bijzondere plek. Het heeft echter niet veel gescheeld of Bronkhorst had helemaal niet meer bestaan, vertelt burgemeester S. Buddingh van de gemeente Steenderen, waaronder Bronkhorst valt. ,,Maar laat ik eerst even de historie schetsen.'' En soepel vertelt Buddingh uit zijn hoofd - ,,ik heb dit al zo vaak gedaan'' - over zijn Bronkhorst. ,,Een pareltje, leuk om erbij te hebben.''

In 1371 wordt voor het eerst gesproken van het 'stedeke' als de toenmalige heer van Bronkhorst Willem IV geld schenkt voor de bouw van een kapel. Buddingh: ,,Bronkhorst is dan heel lang aan niemand leenplichtig, een soort vrijstaatje binnen het Duitse keizerrijk. Pas in 1816 wordt het na enig getouwtrek definitief bij de gemeente Steenderen gevoegd. In die tijd krijgt het ook steeds andere eigenaren. Het verval treedt in als de koopman Ketjen een deel van het stadje opkoopt en het kasteel laat afbreken, tot verdriet van velen.''

Langzaam maar gestaag verandert Bronkhorst in een bouwval. Na de Tweede Wereldoorlog staat Steenderen voor de vraag: slopen of restaureren. ,,En dan zie je altijd dat pioniers de kar gaan trekken'', zegt Buddingh. ,,Eerst gaat ds. Nortier weer preken in de vervallen kapel. De bevolking pikt dat op en restaureert het een en ander. Daarna nemen de architect Heineman en de aannemer Hulshof de zaken voortvarend ter hand en wordt de kapel professioneel opgeknapt. En dat voorbeeld is het begin van een grootscheepse restauratie. We zijn dan inmiddels eind jaren zestig, begin jaren zeventig aangeland, de hoogtijdagen van de oude Rijksdienst voor de monumentenzorg. Geld genoeg en weinig belangstelling. In dat gat zijn wij gedoken. Het rijk betaalde de helft van de restauratiekosten. Iedereen sloeg aan het restaureren. Dat kreeg veel publiciteit en dat leidde weer tot stromen toeristen. In de zomermaanden kan je hier over de hoofden lopen.''

Buddinghs grote probleem is nu die stromen in goede banen te leiden. ,,Bronkhorst moet blijven voor de liefhebber, kleinschalig met hoogwaardige attracties.'' De twee horecagelegenheden, Het Wapen van Bronkhorst en de Gouden Leeuw, vallen volgens Buddingh in die categorie. Verder zijn er het Dickens-museum, het knipmuseum en enkele prachtig, in zeventiende eeuwse stijl, gerestaureerde panden. Aan winkelnering stelt Buddingh ook eisen. ,,Antiek is prima, er is een winkel van twee broers met zilver en glas en een pottenbakkerswinkeltje van een leraar.''

Verpaupering met die toeristenstromen is zijn aanhoudende zorg. ,,Ik wil geen patattenten, hoewel ik de grootste patatmaker van Nederland binnen mijn gemeentegrenzen heb... de aardappelverwerkers van Aviko.''

Ook tweede huizen tolereert Buddingh niet. Alles mag verkocht, maar er moet wel in gewoond worden. Ik wens geen lege museumstad.''

Buddingh, die wordt gezien als een van de drijvende krachten achter Bronkhorsts wederopstanding, heeft één gewenste zaak niet voor elkaar gekregen: de rondweg, om het kwestbare centrum van autoverkeer te ontdoen. ,,De tijd was nog niet rijp, de plaatselijke ondernemers waren tegen en nu is het te duur.''

Dickens-vertolker De Jong is er echter van overtuigd dat die rondweg er gaat komen. ,,Het kan zo niet langer doorgaan, het wordt te druk in ons piepkleine centrum.'' Anders zijn we verdoemd, hoor je Scrooge denken.

mailIcon print |