De laatste keer dat ik van Gerry Mulligans majestueuze sound op baritonsaxofoon mocht genieten, was drieeneenhalf jaar geleden op het North Sea Jazz Festival. In de PWA-zaal bracht hij toen met zijn 'Rebirth Of The Cool'-project een hommage aan de spraakmakende plaat 'Birth Of The Cool', een gevolg van de inmiddels legendarische sessies van het Miles Davis Nonet in 1949 en 1950.
Mulligans 'Rebirth Of The Cool'-project was overigens geen algemeen succes. De algehele aanpak was te braaf, zoals Mulligans muziek altijd al tamelijk braaf is geweest. Met de verrichtingen van de jazzvoorhoede had de saxofonist nooit enige verwantschap. Maar zijn individuele prestaties mochten er toch altijd wel zijn. Zoals hij zijn bariton bespeelde, zoetgevooisd en cool, en krachtig waar nodig, dat deed niemand hem na.
De giganten uit de jazz met wie Mulligan ooit speelde, zijn dood. Miles Davis, Stan Getz, Chet Baker, Duke Ellington. Te veel om op te noemen. Mulligan overleed zaterdag in zijn woonplaats Darien in de Amerikaanse staat Connecticut na een slepende ziekte. Hij werd 68 jaar.
Het belang van Mulligan berust voornamelijk op zijn rol voor de emancipatie van de baritonsaxofoon in de jazz. Mensen als Serge Chaloff, Cecil Payne en Harry Carney waren hem voorgegaan. Maar Mulligan presteerde het om met zijn volwassen, fluwelen geluid niet alleen een groot publiek te bereiken, maar ook vele saxofonisten na hem te inspireren tot de keuze voor de logge, lompe bariton boven de kleinere, populaire broertjes als de tenor, de alt en de sopraan.
Kwaliteiten van Mulligan, die veelal over het hoofd worden gezien, zijn zijn composities en arrangementen. De arrangementen van het baanbrekende 'Birth Of The Cool' worden over het algemeen op het conto van Gil Evans geschreven, maar Mulligans rol daarin was niet te verwaarlozen. En ook zijn pianoloze kwartet uit de jaren vijftig en zijn arrangementen, begin jaren zestig, voor zijn Concert Jazz Band moeten genoemd worden. Bekende eigen composities zijn 'Jeru', 'Rocker', 'Boblicity', 'Venus de Milo' en 'Darn That Dream'. Zijn muziek kan ook worden beluisterd in een fiks aantal films. In enkele daarvan, zoals 'I Want To Live', 'Bells Are Ringing' en 'The Subterraneans', speelde de blanke, eeuwig bebaarde en bebrilde saxofonist kleine rollen.
Gerald Joseph 'Jeru' Mulligan werd geboren in New York, maar groeide op in Philadelphia. Als kind speelde hij piano en schreef zijn eerste stukjes. Op de middelbare school ontdekte hij de tenorsaxofoon, waarop hij zichzelf leerde spelen. Eind jaren veertig, begin jaren vijftig switchte hij naar de bariton, die hij altijd trouw bleef, al ging hij vanaf de jaren zeventig af en toe vreemd op de sopraan.
Op zijn zeventiende verliet hij zijn huis, toen hij de kans kreeg als arrangeur te werken bij Tommy Tuckers Big Band. Ook schreef hij muziek voor het radio-orkest van Johnny Morrington. Op zijn negentiende trok hij naar New York, waar hij scoorde met de arrangementen voor de bands van Gene Krupa, Claude Thornhill, Elliot Lawrence en Stan Kenton. Soms speelde hij ook in hun orkesten.
Zijn grootste successen oogstte Mulligan echter in de jaren vijftig met zijn eigen pianoloze kwartetten. Toen hij in 1952 zijn eerste kwartet startte, maakte dat zo'n impact dat het zelfs door bladen als Time werd verslagen. Voor het eerst werd de bariton gezien als een volwassen instrument, waarop een jazzsolist zich kon meten met iedere andere musicus.
In deze periode speelde hij met vooraanstaande musici als Don Chery, Chet Baker, Paul Desmond en Art Farmer. Zijn arrangeerkunst ontplooide hij begin jaren zestig verder bij de Concert Jazz Band, een big band die enkele jaren bestond en zijn hoogtepunt beleefde in de plaat 'Gerry Mulligan and The Concert Jazz Band at The Village Vanguard'. In 1980 blies hij het orkest nieuw leven in, om daar tot kort voor zijn dood jaarlijks enkele tournees mee te maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.