Een overheid die een afspiegeling is van de samenleving. Dat is het streven in het Zuid-Afrika van Mandela. Maar gemakkelijk is dat niet. Zwarte vakbonden kampen nu al met een leiderschapsprobleem. Hun kader is afgeroomd door de emanciperende ambtelijke top en het kabinet. En wat gebeurt er met het Afrikaans?
Eerste reactie: wat is er eigenlijk weinig veranderd. Nog steeds is de zwarte (buiten de regering) de junior partner (en dat is dan meestal een te mooie term) van de blanke. Maar hoe lang zal het duren om mensen op te leiden, om de beroepsbevolking aan te passen aan de wenselijkheden en mogelijkheden van een echte multi-etnische en multiculturele samenleving?
Reeds nu kan men vaststellen, dat zwarte vakbonden en andere organisaties met leiderschapsproblemen zitten, doordat ze als het ware afgeroomd zijn met het oog op functies in het kabinet en in de ambtelijke toppen.
In de jaren twintig en dertig worstelde de regering met de problematiek van arme blanken. In de naoorlogse periode werden Afrikaanders (blanken in Zuid-Afrika) vooral ook via ambtelijke posities geëmancipeerd. De problematiek waar de huidige regering mee is opgescheept, is de emancipatie van de niet-blanke meerderheid. Het streven om de overheidsorganisatie geleidelijk tot een afspiegeling van de samenleving te maken, is gigantisch en vooral tijdrovend.
Revoluties zijn zelden succesvol. Men kan een land niet op korte termijn een nieuw ambtelijk kader geven. Mandela ontkomt er niet aan te regeren met een vooral blank bestuursapparaat, te werken met politie onder overwegend blanke leiding en hij kan voorshands evenmin het bedrijfsleven ontdoen van zijn blanke leiding.
De vorming van een regering van nationale eenheid na de verkiezingen van april vorig jaar werd door Mandela een “klein wonder” genoemd. Het is echter duidelijk, zegt Loet Douwes Dekker (die men gerust als de belangrijkste kenner van de Zuidafrikaanse arbeidsverhoudingen kan zien) dat de transformatie waarmee het land bezig is, veel meer kleine wonderen nodig heeft.
Eén zo'n klein wonder is de creatie van een tripartite overleg- en adviesstructuur op basis van een overeenkomst tussen de drie vakcentrales en de organisatie van Zuidafrikaanse ondernemingen. Hoewel de nieuwe structuur, Nedlac, in de verte doet denken aan onze Ser, gaat het om een bredere organisatie.
Nedlac heeft vier kamers: een arbeidsmarktkamer, een kamer voor handel en industrie, een kamer voor financiën en monetair beleid, en een ontwikkelingskamer. Deze laatste kamer moet voorkomen dat alleen de belangen van ondernemers en van mensen die al een baan(tje) hebben aan de orde komen. In deze kamer zijn dan ook organisaties van vrouwen en jongeren vertegenwoordigd.
De risico's en valkuilen liggen voor de hand. Hoe voorkomt men bureaucratisering? Hoe kan men realiseren dat ook de 45 procent werklozen in Zuid-Afrika zich enigszins vertegenwoordigd voelen? En vooral ook welk sociaal en economisch beleid zal men gaan ontwikkelen?
Velen zijn van oordeel, dat Zuid-Afrika veel kan leren van de ervaringen van de succesvolle landen van Zuidoost Azië. Men denkt dan aan zaken als selectieve bescherming van nieuwe industrie en exportbevordering.
Daarnaast is er de moeilijke vraag hoe je uitdagend economisch beleid en een sociaal vangnet voor de kanslozen kunt combineren.
Met name voor de vakverenigingen ligt hier een moeilijke afweging: sterke nadruk op economische groei kan leiden tot moderne 'baanloze' groei.
Zeer onder de indruk van de grote problematiek, waarmee het land worstelt, kom je toch ook onvermijdelijk in contact met de interne problematiek van de blanke gemeenschap. Voor ons is er dan natuurlijk vooral ook die van het Afrikanerdom. Het viel mij erg op, dat ds. Beyers Naudé in een interview met “Die Beeld” uitdrukkelijk sprak over de positie van het Afrikaans in het nieuwe Zuid-Afrika. Het gaat natuurlijk niet aan om het Afrikaans “de taal van de apartheid” te noemen (Duits is toch ook niet de taal van het nazidom?!). Begrijpelijk is wel, dat het Engels een steeds belangrijker rol gaat spelen en dat men ook de talen der zwarte bevolking een plaats moet geven, die overeenkomt met de kwantitatieve betekenis daarvan.
Maar ondertussen is er een brede gemeenschap van blanken, 'kleurlingen' en zwarten die Afrikaans spreken. Zondagmiddag namen we onze lunch in een restaurant in Pelgrimsrus, in Noord Transvaal (prachtig gelegen in het bergland). Daar werd alleen Afrikaans gesproken en heerste een sfeertje, waarbij je je als Nederlander eigenlijk best thuis voelt. Op de tv zie je (vaak dezelfde mensen) voortdurend switchen van Engels naar Afrikaans en omgekeerd. Het lijkt alsof er niets is veranderd. Maar op vragen van mijn kant zei een doorgewinterde Afrikaander: “We zullen er hard aan moeten werken Zuid-Afrika te blijven en niet Afrika te worden.” Hij was daar kennelijk niet helemaal gerust op.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.