*

 
dossier

Archief

IJssurfen is vooral een lolletje voor prettig gestoorden

MARIJE RANDEWIJK − 08/01/96, 00:00

Terwijl de meeste Nederlanders zaterdag de schaatsen voorlopig weer in het vet zetten, haalden de surfers hun zeilen en ijssurfers van zolder. Zij togen naar het Gooimeer bij Almere, daar vond gisteren onder barre omstandigheden voor het eerst sinds 1986 het Nederlandse kampioenschap ijssurfen plaats. Van scheur naar scheur, van wak naar wak, ploegden de surfers voort.

Tien jaar mocht Martin van der Heijden zich Nederlands kampioen ijssurfen noemen. In Balk had het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (KNWV) te maken met prachtige omstandigheden, prachtig ijs en een stevige wind. Een decennium later is de ijsconditie verre van ideaal. Waar het water van het Gooimeer voor de deelnemers aan de Holland-triathlon vaak te koud is, kampen de organisatoren van het NK ijssurfen met zeer snel intredende dooi.

Door de slechte omstandigheden melden zich om half twaalf slechts 34 'prettig gestoorden' bij de KNWV aan. “Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die met dit weer absoluut geen zin hebben om te surfen. Ik heb mezelf vanmorgen ook een aantal keer afgevraagd of het wel verantwoord was om van start te gaan”, geeft de wedstrijdleider Sikkama toe. “Er zitten nu al veel wakken en scheuren in het ijs, maar de surfers waren vanmorgen zo enthousiast dat we het toch gaan proberen. Bovendien, als we nu niet het ijs op gaan, moeten we misschien wel weer tien jaar wachten.”

Om twaalf uur stelt de helft van de deelnemers zich met hun zeiltje en ijssurfer op aan de startlijn, maar omdat de wind gedraaid is, moet het parcours om veiligheidsredenen verlegd worden. De grootste wakken in de route zijn dan zo goed mogelijk afgeschermd door dranghekken en rietpluimen. Het zicht is echter zo slecht dat de surfers de boeien al nauwelijks kunnen zien.

De meeste surfers dragen vanwege de vele plassen op het water onder hun normale kleding nog een surfpak, maar veel helpt dat niet. Wie de controle over de ijssurfer verliest, is verloren en moet de rest van de dag met een klestnat pak verder. Dan maakt het niet meer uit of je een topsurfer of een recreant bent.

Dat verschil is slechts te zien aan het materiaal. De toppers, waaronder Nederlands kampioen windsurfen Alexander Hoekstra, beschikken over een in Amerika gefabriceerde ijssurfer. De rest glijdt op een zelf gefabriceerde plank door de plassen op het Gooimeer. “Maar dat maakt niet zoveel uit, zolang je ijzers maar scherp geslepen zijn”, legt Hoekstra uit.

“IJssurfen is niet te vergelijken met het 'gewone' windsurfen. Zelf vind ik het surfen op ijs makkelijker omdat de manoeuvres niet zoveel behendigheid vragen, je hebt niet te maken met hobbels of golven”, vervolgt hij. “Hier kan iedereen winnen, zelfs iemand van zestig. Je gaat op zo'n harde ondergrond wel zo'n dertig à veertig kilometer per uur harder dan op het water.” Toch vereist deze surfdiscipline een bepaalde training en behendigheid. Stephan van den Berg, voormalig olympisch kampioen windsurfen, komt er niet aan te pas en zal uiteindelijk slechts als 25ste eindigen. “Vorige week zaterdag heb ik voor het eerst weer eens op het ijs gestaan en dat is wel te merken ook.”

“Je moet kunnen afzien, klaar!”, antwoordt meervoudig wereldkampioen Joop Nederpelt als hem naar het geheim van een goede ijssurfer gevraagd wordt. “Het is net als schaken, je moet vooruit denken en durven pionieren. Ik herinner me het eerste officiàe NK ijssurfen nog goed, dat was in 1978 in Aalsmeer. Het ijzelde toen nog erger dan nu, maar ik liet me niet verrassen. Met stukken schuurpapier en zakken zout probeerde ik de andere deelnemers te snel af te zijn. Later ging iedereen hulpmiddelen gebruiken, maar daar werd over het algemeen heel geheimzinnig over gedaan.”

Nederpelt is inmiddels gestopt met de wedstrijdsport en is in Almere aanwezig om zijn voormalige collega's met adviezen bij te staan. “Ik heb deze week wel duizend telefoontjes gehad van mensen die om raad vroegen, ze missen me dus wel een beetje”, stelt Nederpelt.

Financieel is Nederpelt - inmiddels gestopt - van zijn vijf Europese en drie wereldtitels weinig wijzer geworden. “In het begin van mijn carrière ging er nog niet zo veel geld om in dit wereldje. In 1982 kreeg ik in Helsinki een stereo toen ik tijdens snelheidswedstrijden voor de eerste keer boven de 100 km/u kwam. Later kon ik er wel wat aan verdienen, maar ik mocht van mijn sponsor niet te veel wedstrijden doen, omdat de kosten dan te hoog werden. Per kampioenschap had ik zo'n 300 à 400 kilo handbagage en dat liep al gauw in de duizenden guldens.”

“De beloning is nu verbeterd. In Japan bieden de sponsors geld voor plaatsen langs de route. Als de wedstrijd op televisie komt, moet daar fors voor betaald worden,” weet Nederpelt, die net terug is uit Sapporo waar hij op uitnodiging van de organisatie de wereldkampioenschappen bijwoonde. “In ScandinaviĆ« en Noord-Amerika is de sport ook veel populairder dan hier. Daar moeten zelfs selectiewedstrijden worden gehouden om drie man aan te wijzen die naar het WK mogen. Dat is echt knokken voor je plaats. Daarom vond ik het ook zo leuk dat zo'n oude knakker als ik de titel kon pakken.”

Kriebels

Net als alle andere sporters krijgen de ijssurfers de kriebels als de Olympische Spelen ter sprake komen. De olympische ambities van de World Ice and Snow Sailing Association (WISSA), waar inmiddels 37 landen lid van zijn, zijn vooralsnog niet gehonoreerd door het IOC.

In Nederland trekt het NK nauwelijks belangstellenden. De toeschouwers, voornamelijk familie, vrienden en kennissen, kunnen de verrichtingen van hun favorieten vanaf de wal nauwelijks volgen. Om twee uur blaast wedstrijdleider Sikkama de wedstrijden af. De ijsconditie is dermate slecht geworden dat het onverantwoord is om door te gaan. “ Aan het eind van de route zit een wak van twee bij twee meter en de scheuren worden steeds groter.”

De surfers hebben dan twee volledige series afgelegd. Een serie bestaat drie wedstrijden, twee halve finales waarvan de besten in een finale punten konden scoren. De 28-jarige Martin Hingst uit Joure blijkt uiteindelijk de beste 'glijder' van Nederland. Hingst wint een van de twee finales, in de andere finale hoeft hij slechts clubgenoot Albert Aukes voor laten gaan.

De twee Friezen hebben volop geprofiteerd van de goede ijskwaliteit in het noorden van het land. Ze staan al dagen op de ijssurfer, niet om te trainen voor het NK, maar gewoon voor de kick. “Langs het Tjeukemeer loopt een snelweg, als je dan op je ijssurfer staat en een vrachtwagen kan inhalen die zo'n 80 km/u rijdt, krijg je echt een werelds gevoel. Je moet deze kampioenschappen ook niet al te serieus nemen, het is gewoon een lolletje”, erkent winnaar Hingst. “Er zijn schaatsers die elk jaar in november al beginnen met de voorbereidingen voor een Elfstedentocht, zo gek zijn wij dus niet. Volgens mij is er nog nooit een Elfstedentocht voor ijssurfers georganiseerd.”

“Daar laten wij ons toch door niet weerhouden”, valt Albert Aukes, de nummer twee van het NK zijn clubgenoot bij. “We hebben aan een kleine laag ijs al voldoende om zo'n tocht te kunnen volbrengen. Je moet alleen zorgen dat je niet stilvalt, anders kom je in de problemen.”

Hingst en Aukes hebben door hun goede prestaties recht op deelname aan de EK en WK, maar de kosten komen wel voor eigen rekening. “Ik vind het een leuke sport, maar ik ga niet de hele wereld rondvliegen met mijn spullen als ik dat zelf moet bekostigen”, legt Hingst uit. “Daar heb ik gewoon geen geld voor. Deze ijssurfer heb ik vijftien jaar geleden op de LTS gemaakt, twintig gulden was ik uiteindelijk kwijt.”

Ondanks het magere aantal wedstrijden dat gegleden is, vindt de organisatie het NK geslaagd. Dit jaar zullen er in ieder geval geen nieuwe kampioenschappen worden gehouden. “Dit was het enige officiĆ«le NK van 1996. Als opnieuw gaat vriezen, organiseren we misschien wel een ander groot toernooi”, belooft Alexander Hoekstra. “Een ding weet ik dan alvast wel zeker. We wachten niet meer tot de dooi al is ingetreden.”

mailIcon print |