*

 
dossier

Archief

Turks Hooggerechtshof zet islamitische Refah-partij aan de kant

Door: redactie − 17/01/98, 00:00

Van onze redactie buitenland AMSTERDAM - Ongeveer een maand later dan verwacht is het doek gevallen over de fundamentalistische Refahpartij in Turkije, van oud-premier Necmettin Erbakan.

Het hooggerechtshof besloot met 9 tegen 2 stemmen de partij te verbieden. Vrijwel niemand heeft de afgelopen weken eraan getwijfeld naar welke kant het dubbeltje zou vallen. Daarvoor was de president van het hof, Yekta Güngör, de afgelopen weken te duidelijk geweest. Het meest opmerkelijke is dat er toch nog twee rechters hebben tegengestemd en de lange tijd die het hof nodig heeft gehad.

Premier Yilmaz noemde gisteren het verbod op de partij 'een droeve zaak'.

Güngör zei eind december nog dat Turkije het 'pad van Atatürk' zal blijven bewandelen. Ataturk stichtte in de jaren twintig het moderne Turkije op de puinhopen van het verslagen Ottomaanse sultansrijk. Hij paste een strikte scheiding toe tussen godsdienst en staat, in navolging van Europa. Volgens het gerechtshof heeft de Refahpartij dat streven gesaboteerd en geprobeerd van Turkije een islamitische staat te maken.

Alle Refahpolitici wier naam voorkomt in het vonnis verliezen vijf jaar hun burgerrechten. Het staat vast dat Erbakan in het vonnis is genoemd. Parlementsleden wier namen niet voorkomen in het vonnis behouden hun zetels, als onafhankelijken. Als fractie zal de Refahpartij verdwijnen, Refahparlementariërs raken hun plaatsen in parlementaire commissies kwijt.

De goederen van de Refahpartij komen in de staatskas terecht, maar die soep is minder heet dan zij wordt opgediend. De meeste goederen staan op naam van vooraanstande Refahleden en vallen daardoor buiten de maatregel. Refah krijgt veel financiële steun van de organisatie Milli Görüü, die in Nederland en Duitsland honderden moskeeën instandhoudt. Het is onduidelijk wat er met die geldstroom zal gebeuren.

- Vervolg op pagina 5

Nieuwe partij in de maak als opvolger Turkse Refahpartij VERVOLG VAN PAGINA 1

Wat de praktische betekenis van het verbod van Refah zal zijn is nog onduidelijk. Er schijnt al een nieuwe partij in de maak te zijn met een andere naam. Helemaal zonder complicaties is dat niet, want mensen die nu lid zijn van de Refahpartij mogen zo'n poartij niet oprichten. Er zijn strofiguren nodig.

De Refahpartij haalde bij de parlementsverkiezingen van december 1995 zijn beste resultaat. Met ruim een vijfde van de stemmen kreeg het de grootste parlementsfractie, met een kleine voorsprong op de DYP van oud-premier Tansu Çiller en de Anap-partij van de huidige premier Mesut Yilmaz.

Weinig wees er toen nog op dat Erbakan ook premier zou worden, want de DYP en de Anap-partij stonden inhoudelijk zo dicht bij elkaar dat weinig een centrumrechts kabinet in de weg leek te staan. Dat kabinet kwam er ook maar klapte na drie maanden stuk op de persoonlijke tegenstelling tussen Çiller en Yilmaz, die elkaar niet kunnen luchten. Dat was de kans voor Erbakan die Çiller tot een ommezwaai dwong.

Hij dreigde de parlementaire onschendbaarheid van Çiller te zullen opheffen, zodat ze zou moeten terechtstaan voor corruptie-affaires. Om die dreiging af te wenden ging Çiller een coalitie aan met Erbakan. Enige maanden daarvoor had ze zich in Europa nog opgeworpen als de laatste dam tegen het fundamentalisme, en had ze de EU gezegd dat de deur wijd open zou komen te staan voor moslimfundamentalisme als de douane-unie met Turkije er niet zou komen.

De militairen, hoeders van het seculiere karakter van de staat, lieten Erbakan een jaar zijn gang gaan, waarbij ze hem wel geregeld onder een vernederend juk heen dwongen. Zo had hij geen enkele invloed op het bondgenootschap dat de Turkse militairen met Israël sloten en verder uitbouwden. Wel mocht hij een beetje flirten met het fundamentalistische Iran. Zo kwam er een overeenkomst over een olieleiding, die de militairen wel handig vonden ondanks de boosheid van Amerika.

Binnenlands moest Erbakan net als zijn voorgangers geregeld zijn handtekening zetten onder het ontslag van militairen, die het leger uitvlogen omdat ze te fundamentalistisch waren. Wel slaagde Erbakan erin veel partijgenoten te benoemen op gevoelige posten, vooral op het terrein van sociale zaken.

Uiteindelijk bleek Çiller de achillespees voor Erbakan, niet omdat ze hem ontrouw werd maar omdat ze in een oceaan van schandaal verwikkeld raakte. Ook binnen haar partij werd haar positie zwakker, zodat ze Erbakan niet meer voldoende steun kon bieden in een periode waarin hij die zeer nodig had.

Dat was tijdens de vorige vastenmaand Ramadan, januari en februari vorig jaar. Een toespraak van de Iraanse ambassadeur in Sincan, een voorstad van Ankara, waarin hij opriep de islamitische sjariah-wet ook in Turkije toe te passen, was de militairen in het verkeerde keelgat geschoten. Er reden ineens tanks door de straten van Sincan.

Wat volgde was officieel geen staatsgreep, maar had daar veel van weg. De militairen stelden een lijst van eisen aan Erbakan, om de scheiding van godsdienst en staat te benadrukken. Belangrijk was de verlenging van de leerplicht van vijf tot acht jaar. Alle onderwijs dat valt onder de leerplicht is in handen van de staat. De maatregel trof daardoor de confessionele, zogeheten imam-hatipscholen, die hun middenscholen kwijtraakten. Ook kwam er een einde aan godsdienstcursussen die buiten het ministerie van godsdienstonderwijs werden gegeven.

Erbakan tartte de militairen met vertragingstechnieken. Maar de militairen hoefden zelfs niet meer te dreigen met hun tanks om hun doel te bereiken, doordat de afkalving van Çillers DYP-partij fatale vormen aannam. Er ging nauwelijks een dag voorbij zonder dat een DYP-parlementariër uit de fractie stapte. In mei was het daardoor gedaan met de regering Erbakan.

In de periode daarop waren er wel wat demonstraties, vooral vrijdags bij de grote moskeeën in istanbul. Maar tot een grote uitbarsting kwam het niet. Dat had ook te maken met het pinnige optreden van openbare aanklagers, die een verbazende antenne ontwikkelden voor 'staatsgevaarlijke' uitlatingen. Zo hangt er de vice-voorzitter van de Refahpartij een lange straf boven het hoofd omdat hij in het vuur van een rede had gezegd dat de Refahleden bereid waren hun bloed te offeren voor hun partij. “Dan ben je dus ook bereid om bloed te vergieten”, zo luidde het snedige commentaar van de aanklager.

Voor Erbakan is het een repeterende film. Al tweemaal eerder beleefde hij een verbod van zijn partij na de staatsgrepen van 1971 en 1980. Hij lijkt te oud om een derde keer terug te komen.

mailIcon print |