*

 
dossier

Archief

Joseph Brodsky 1940 - 1996

T. VAN DEEL − 30/01/96, 00:00

AMSTERDAM - De zondag overleden dichter Joseph Brodsky is nooit een dissidente schrijver in de strikte zin van het woord geweest.

Weliswaar werd hij in 1964 tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld, tijdens het eerste openbare proces tegen een schrijver in de Sovjet-Unie, maar dat had niets te maken met wat hij schreef, alleen maar met het feit dàt hij schreef, geen vaste baan had en dus op de gemeenschap parasiteerde, aldus het vonnis. Ook zijn gedwongen vertrek in 1972 had niets met staatsgevaarlijke activiteiten van doen: kennelijk vond men een onafhankelijke, individualistisch opererende dichter, die kunst verre boven politiek stelde, al staatsgevaarlijk genoeg.

Brodsky's poëzie gaat niet over het communistische systeem of over de klasseverhoudingen en ook toen hij in feite verbannen was uit zijn land en zijn gedichten van deze ballingschap gewag maakten, ging het hem niet om politieke kwesties, maar om existentiële. Brodsky is de dichter van de menselijke staat, hij heeft het over tijd, vergankelijkheid, wanhoop, verlies, en de status van balling is in zijn geval, het klinkt misschien vreemd het zo te zeggen, een natuurlijke geweest, passend bij zijn kijk op de mens.

In een lezing over verveling brengt hij dat verschijnsel in verband met tijd. Wie zich geheel overlevert aan de verveling, komt oog in oog te staan met de oneindigheid van de tijd en dus met de eigen eindigheid of 'onbeduidendheid', zoals Brodsky het noemt. “Verveling is namelijk een invasie van de tijd in je waardenstelsel. Het plaatst je bestaan in het geëigende perspectief, met als netto resultaat precisie en bescheidenheid.”

Over de eindigheid van de mens heeft Brodsky vaak genoeg geschreven. Een van de indrukwekkendste doodsgedichten die ik ken is zijn 'Grote Elegie voor John Donne', al op zijn 23e geschreven. De eerste regel, die in dit bijna driehonderd versregels tellende gedicht telkens wordt herhaald, luidt: 'John Donne is dood en alles slaapt rondom.' Dan wordt zo ongeveer de hele wereld opgesomd; de muren, de kleden, het plafond, klokken, gevelstenen, kettinghonden, alles, werkelijk alles, de gedichten, de boeken, alles is met Donne ingeslapen. Zijn dood heeft de hele wereld meegesleept, de wereld zoals hij die vanuit een hoog vogelperspectief als dichter heeft waargenomen en in zijn gedichten heeft vastgelegd.

Op een dergelijke manier ging ook Brodsky in zijn poëzie te werk. Hij wilde een dichter zijn en dat projecteert hij hier op Donne, die boven de verlammende details weet uit te stijgen en die een overkoepelende greep kan krijgen op de wereld. 'Alles is ver. Dichtbij is alles vaag.' staat er ook nog in de Elegie. Het is de korte samenvatting van Brodsky's standpunt als dichter: pas door afstand te nemen krijg je iets goed te zien.

Vandaar dat hij dikwijls de omweg bewandelde en mythologische, bijbelse of historische onderwerpen behandelde. Vandaar dat hij zoveel belang hechtte aan de traditie en de vorm van zijn gedichten, beide zorgen voor de noodzakelijke distantiëring. Vandaar ook dat hij zoveel gevoel van verantwoordelijkheid had voor de taal zelf, die alleen de goede werking kan hebben, wanneer zij met aandacht en precisie wordt gebruikt. Waar kunst en ethiek nogal eens uit elkaar worden gehaald, zag Brodsky ze juist nauw met elkaar verbonden: een esthetisch bevredigend gedicht maakt van de lezer een beter mens. De esthetiek brengt de ethiek voort, niet andersom heeft hij eens gezegd. Verloedert men zijn taal, dan komt er niet alleen de klad in de esthetische standaard, maar dan roept men daarmee ook de tirannen en demagogen over zich op.

De Nobel-prijs is in 1987 naar de dichter Brodsky gegaan en zonder enige twijfel is de poëzie het hart van zijn werk. Maar daarnaast is er ook de gevoelige en scherpzinnige essayist geweest, van wie eerdaags, maar nu dus postuum, een nieuw boek, 'On Grief and Reason', zal verschijnen.

In het mooie nawoord bij 'De herfstkreet van de havik', een keuze uit Brodsky's gedichten in Nederlandse vertaling, schrijft Kees Verheul dat hij Urania, de Muze van de astronomie en de geografie, als de inspirerende kracht achter Brodsky's poëzie beschouwt; vandaar tot slot hieronder het gedicht 'Aan Urania', in de vertaling van Peter Zeeman.

Aan Urania

Met inbegrip van leed, heeft alles zijn grenzen. Een raam houdt je blik tegen, zoals een hek een blad. Je kunt met sleutels rammelen. Water inschenken. Eenzaamheid is een mens in het kwadraat. Zo besnuffelt een kameel afkeurend een spoorbaan. Leegte opent zich als een zwaar gordijn, de afwezigheid, in elk punt, van je lichaam - wat kan ruimte eigenlijk anders zijn? Daarom is Urania ouder dan Clio, haar zuster. Je ziet: ze houdt absoluut niets verborgen; dat blijkt overdag en bij 't licht van een brander. En je kijkt naar het achterhoofd van de Globe. Daar zijn ze, de rivieren, waar de Deloega met de hand wordt gevangen, de bossen vol bessen; daar is de stad, in wier telefoonboeken je voortaan ontbreekt. Verder weg van het westen, meer naar het zuid-oosten: bruine bergen, afgesleten, przewalski-paarden, zwervend door het grasland; gele gezichten. En nog verder: grijze linieschepen en de open ruimte, blauw als ondergoed met kant.

mailIcon print |