*

 
dossier

Archief

Hoe ver is het nog naar Breukelen?

RUUD VAN HAASTRECHT − 11/01/97, 00:00

Als de wind naar het oosten draait, klemt het elke keer weer: Waarom is een dagje schaatsen vanuit Amsterdam zo moeilijk te doen met het openbaar vervoer? Op de kaart ziet het er zo mooi uit, met al die plassen en rivieren in de ommelanden. Maar het is een crime om daar te geraken en weer weg te komen.

De Bollenstreek, Waterland, de plassen bij Vinkeveen, Loosdrecht en Ankeveen: de trein gaat er niet heen. Dat wordt uren boemelen met de streekbus. Naar Den Ilp, op een steenworp afstand van Amsterdam, kost je drie kwartier, omdat lijn 91 heel Amsterdam-Noord er nog eventjes bij doet. En je finish moet je wel uitmikken, want de 91 rijdt maar eens in de twee uur.

Ransdorp in Waterland is ook een leuke. Eerst moet je vanaf het Centraal Station naar het Waterlandplein in de middle of nowhere in Amsterdam-Noord, daar twintig minuten kleumen, en dan verder met de belbus, type bejaardensoosvervoer.

En dan de Ankeveense plassen: eerst de trein naar Weesp en dan een klein half uur schommelen met bus 139. En als je bent uitgeschaatst, is-ie net langsgeweest. Over een uur bent u de eerste.

Nee, dan kun je beter al in Weesp zelf het ijs op. Vanaf het station is het maar een paar honderd meter lopen naar de bevroren watervlakte, gewoon de bordjes volgen richting centrum. We zijn niet de enigen. Via een geluidsversterker opent de plaatselijke ijsvereniging De Scheve Schaats net de inschrijving voor een mini-toertocht in de omgeving. Wij halen daar hooghartig onze neuzen voor op. Dit keer horen we bij de cracks voor de verandering. Wij gaan voor de onuitgeschreven schaatsmarathon naar het volgende NS-station, Breukelen. Al moeten we nog wel even informeren bij de stand van de ijsvereniging welke kant we nu eigenlijk uit moeten. Struikelend over de schotsen bereiken we de iglo. In die paar meters begrijpen we waarom de schaatsvereniging zichzelf zo genoemd heeft. We snoeren de schaatsen nog eens wat strakker aan en schaatsen dan weg van de oerhollandse schaatsgezelligheid van koek-en-zopie en de Vogeltjesdans.

Buiten de bebouwde kom is het ijs prachtig en wordt het geleidelijk aan steeds rustiger. Dat blijft de hele tocht zo. Alleen bij nederzettingen is het bal, daarbuiten ben je alleen met de elementen. Op de rand van een woonboot doen we de veters wat losser. De woonbootbewoner schat dat het nog 'een uurtje' schaatsen is tot Breukelen. We zullen later op de tocht nog vaak aan hem terugdenken. Maar het ijs schittert, de zon schijnt, de wind zit mee, wie maakt ons wat? Breukelen, here we come. Alleen de koek-en-zopies zijn dun gezaaid langs de route. In Nigtevecht zijn er plotseling twee. We stoppen bij de laatste, waar net de chocolademelk opgewarmd moet worden. Een half uurtje later is die er dan eindelijk, als we bijna vernikkeld zijn in de rieten stoelen op het ijs. Ook hier luiden de berichten ongewijzigd: 'Breukelen? Ruim een uur!' De volgende kerktoren moet dan ook Loenen zijn, vermoeden we, maar een man helpt ons uit de droom. We zitten in Nederhorst den Berg. Eerst krijg je nog Overmeer, dan Vreeland, vervolgens Loenen en dan Breukelen. Het is nog wel twee uur schaatsen tot Breukelen, schat hij. Wij willen er niet aan. We klampen ons vast aan onze woonboot.

Maar bij de pittoreske Vreelandse sluis moeten we de waarheid onder ogen zien. Loenen is nog niet in zicht, om maar te zwijgen over Breukelen zelf. Bovendien melden tegenliggers ons onder het klunen langs de sluis dat het ijs tussen Vreeland en Breukelen veel slechter is dan het eerste stuk. Het schijnt een soort borstplaat te zijn, waarin je lage Noren smoren. Een Vreelandse jongen komt met een alternatieve route. Als we een klein stukje langs de provinciale weg lopen, komen we bij het Hilversumsch kanaal. Daarvandaan glijd je zo naar Hilversum. We foeteren een beetje op onszelf. Als we dit eerder hadden geweten, hadden we op De Nes al schaatsend de afslag naar het kanaal kunnen nemen. Zekerheidshalve trekken we toch maar onze schoenen aan. Het blijkt een gouden greep; klunend is dit niet te doen. Onderweg proberen we het ijs uit op een eindeloze waterplas, de Wijde Blik. Tot onze verbijstering schaatst er geen levende ziel. Later horen we dat dat ten strengste verboden is. De Wijde Blik is bestemd om op te drinken, niet om op te schaatsen of te zwemmen.

Bij fort Kijkuit binden we de ijzers weer onder en zwieren over de slotgracht het kanaal op. Er is zowaar een schaatsbaan op het kanaal uitgezet, maar die zit vol bobbels en scheuren. Ter hoogte van Kortenhoef voert het spoor onverbiddelijk naar een wachthokje waar drie leden van de Kortenhoefse ijsvereniging tol heffen. Het roept herinneringen op aan de Duitse controleposten gedurende de laatste bezetting van ons land. De oudste van het stel gaat een oeverloze discussie aan als blijkt dat wij niet van plan zijn de riks per persoon aan hem te overhandigen, zéker niet voor deze ijskwaliteit. Uiteindelijk geven we toch maar toe. “Meneer, ik zal dit nooit vergeten”, zegt hij, quasi geroerd. Nou, wij ook niet.

Vlak voor Hilversum keert de ijsbaan om. Het ijs wordt gelijk een stuk beter. Via de haven schaatsen we de omroepstad binnen, een wat sombere verlaten industriële entree. Ergens in de wijk Kerkelanden stappen we van het ijs en halen al glijdend de bus. Wat een winter, dat zelfs de Vecht dicht ligt, zeggen we tegen elkaar als twee oude besjes.

mailIcon print |