Van onze parlementsredactie DEN HAAG - Nederland moet in de Grondwet een artikel opnemen dat de overheid verplicht in al haar handelen God eer te bewijzen. De kleine christelijke partijen RPF en GPV menen dat alleen door God als hoogste soeverein te erkennen duidelijk wordt waar de grondwettelijke vrijheidsrechten hun begrenzing vinden. Zo krijgt het overheidsbeleid weer richting.
De wetenschappelijke bureaus van RPF en GPV, de Marnix van Sint Aldegonde- en de Groen van Prinstererstichting, betrekken deze stelling in het gisteren verschenen boek Gelukkig is het land, de eerste gezamenlijke publicatie van de twee partijen.
Met de publicatie willen RPF en GPV hun bijdrage leveren aan de discussie over het morele fundament van de politiek. De auteurs, dr. R. Kuyper (RPF) en dr. A. J. Verbrugh (GPV), geven in het geschift aan welke lijn een overheid die de Tien Geboden aanvaardt als haar richtsnoer zal volgen op beleidsterreinen als de verzorgingsstaat, het arbeidsbestel, huwelijk en gezin, de rechtsstaat en de Europese Unie.
Zij menen dat het arbeidsbestel uit het lood is geslagen door een eenzijdige gerichtheid op de materiĆ«le welvaartsvergroting. Onder meer om die reden pleiten Kuyper en Verbrugh ervoor het huwelijk waarin de man werkt en de vrouw kinderen verzorgt, te bevoorrechten boven alternatieve leefvormen. De opkomst van relaties tussen mensen die zijn gebaseerd op het idee dat ieder individu autonoom is, heeft volgens hen afbreuk gedaan aan de 'oorspronkelijke scheppingsbestemming' van mannen en vrouwen: “Het gezinsverband is geworteld in de biologische, emotionele, sociale en morele constitutie van mannen en vrouwen.”
In de rechtsstaat ontbreekt volgens de auteurs het besef dat het recht voortkomt uit een goddelijke beschikking, in de vorm van de Tien Geboden. Zij menen dat een verwijzing naar dit 'vaste fundament' de kans van slagen vergroot om het gezag in de samenleving te herstellen, normloosheid en onveiligheid op straat tegen te gaan, belastingontduiking en uitkeringsfraude te bestrijden en misdrijven op te lossen. De redenering is dat zo'n verwijzing naar God als hoogste soeverein ook de samenleving zelf motiveert 'alle begin van maatschappelijk kwaad' te weerstaan.
Een overheid die zich genormeerd weet door Gods geboden dient euthanasie en abortus te verbieden, menen Kuyper en Verbrugh. “Wat zal het een verlichting zijn voor artsen, verpleegkundigen, voor mens, dier en milieu wanneer weer duidelijk is dat het leven beschouwd moet worden als een geschenk van God, dat niet volgens de regels van menselijk willekeur maar tot Zijn eer er mag zijn.”
Zij zien in de praktijk van genetische manipulatie opnieuw een teken dat 'de ethiek van het leven' onder de overheersende van het zelfbeschikkingsrecht steeds verder marginaliseert. De overheid schrikt terug, volgens hen uit angst keuzes te maken, voor principiĆ«le uitspraken en beperkt zich daarom tot procedurele wetgeving en het streven naar consensus. “Zolang ze in deze houding volhardt, geeft ze geen leiding en neemt de brutalisering van het leven hand over hand toe.”
Kuyper en Verbrugh bepleiten meer 'Euroscepsis' in de Nederlandse benadering van de Europese Unie (EU). Tot hun spijt stellen zij vast dat een 'seculier humanisme' de geestelijke ondergrond vormt van de Europese samenwerking, hetgeen volgens hen het beleid van de EU heeft beperkt tot welvaartsvergroting en bescherming van het individu. De regering moet zich in haar opstelling tegenover de Europese eenwording bewuster zijn van de Nederlandse identiteit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.