*

 
dossier

Archief

Tot aan het woordeloze

ROSAN HOLLAK − 29/07/98, 00:00

“Ik heb een boek geschreven, getiteld Logisch-Philosophische Abhandlung, dat al mijn werk van de laatste zes jaar bevat. Ik geloof dat ik onze problemen definitief heb opgelost. Dit kan misschien arrogant klinken, maar ik kan er niet buiten dit te geloven.”

Gevangengezet in Italië, schreef Ludwig Wittgenstein (1889-1951) gedurende de Eerste Wereldoorlog deze weinig bescheiden woorden in een brief aan zijn leermeester Bertrand Russell. Wittgenstein meende dat hij een boek had geschreven dat alle andere filosofische werken overbodig zou maken. Hij wilde dan ook dat het onmiddellijk uitgegeven zou worden. Nog voordat hij uit zijn krijgsgevangenschap kon terugkeren in 1919 ging hij op zoek naar een uitgever voor zijn meesterwerk. Hij kreeg echter een lange reeks afwijzingen te verduren. Pas met de onvoorwaardelijke steun van Russell gelukte het hem om in 1921 zijn tekst, vol drukfouten en onnauwkeurigheden, te publiceren in het laatste nummer van het tijdschrift Annalen der Naturphilosophie. Het jaar daarop verscheen in London een Duits-Engelse uitgave met een Latijnse titel die door G. E. Moore zou zijn bedacht: Tractatus logico-philosphicus. Met deze titel, een toespeling op de Tractatus Theologico-Politicus van Spinoza, zou het boek het schoppen tot een van de beroemdste werken uit de twintigste eeuw.

Welke problemen meende Wittgenstein in de Tractatus definitief te hebben opgelost?

Volgens Eric Oger, hoogleraar filosofie in Antwerpen, wilde Wittgenstein, onder invloed van filosofen als Frege en Russell, komen tot een zo exact mogelijk taalgebruik. “Wittgenstein was ervan overtuigd dat hij een taalkritiek kon ontwikkelen die een einde zou maken aan het 'gezwets' dat volgens hem te veel in de literatuur, de religie, de moraal en in de filosofie voorkwam. De Tractatus was een werk waarin zulk gezwets niet voorkwam. Dit was volgens Wittgenstein om twee redenen het geval: Ten eerste omdat hij in dit boek op een bondige en nauwkeurige wijze spreekt over datgene waarover gesproken kan worden. En ten tweede omdat hij niet over datgene zwetst waarover niet gesproken kan worden.”

Wittgenstein meende dat filosofen het onuitsprekelijke, zoals bijvoorbeeld uitspraken in de ethiek, met rust moesten laten. Als dat niet werd gedaan, liepen ze het gevaar een kwestie, waarover werd gesproken, dood te praten. Hij wilde in de Tractatus datgene wat niet gezegd kan worden aanduiden, door wat wel gezegd kan worden duidelijk uit te drukken. Door duidelijk te zeggen wat er gezegd kan worden, zouden volgens hem de grenzen zichtbaar worden van datgene wat gezegd kan worden. Achter deze grenzen ligt slechts het onuitsprekelijke: datgene wat zich alleen kan tonen.

De vraag die Oger bij dit alles stelt is of het transcendent gezwets, waar Wittgenstein zich tegen wil wapenen, überhaupt wel te vermijden is in een filosofisch betoog: “Het paradoxale van de Tractatus is dat Wittgenstein op het einde zegt dat ook datgene wat hij in de Tractatus schrijft eigenlijk gezwets is. Dat is tevens het fascinerende aan dit boek. Er is bij hem een blijvende spanning tussen zeggen en tonen. Wat hij daarmee bedoelt heb ik zelf ook aan den lijve ondervonden. Twee jaar terug ging ik met een aantal mensen op excursie naar Israël. Bij het reisgezelschap was een blinde man. Toen we bovenop de muren rondom Jeruzalem wandelden wilde ik hem beschrijven wat ik allemaal zag. Toch voelde ik dat mijn uitleg triviaal was. Alles wat ik zei was onvoldoende genuanceerd. Ik merkte dat ik constant stootte op de grenzen van de taal. Ook Wittgenstein heeft tijdens heel zijn leven het gevoel gehad dat filosoferen bestaat uit het stoten op de grenzen van de taal: de ervaring van het onmogelijke iets te kunnen verwoorden.”

Hoe moet de Tractatus nu begrepen worden? Wordt het filosofische perspectief van het boek alleen maar bepaald door de problemen die bij het begin van deze eeuw in Cambridge aan bod kwamen? Wittgenstein heeft inderdaad, als een van de eersten, de nieuwe inzichten op het gebied van de propositielogica, zoals die door Frege en Russell ontwikkeld waren, als grondslag willen nemen voor het uitwerken van een systematische theorie van de werkelijkheid, de kennis en van de taal. Maar in de Tractatus schuilt meer dan dat.

Volgens Oger bestaat het werk uit een broze mengeling van twee cultuurstromingen. Enerzijds mengt de Tractatus zich in de discussies over logica en de grondslagentheorie van de wiskunde, anderzijds is het ook een reactie op de stormachtige ontwikkelingen die zich in de cultuur rond de eeuwwisseling in Wenen voltrokken. Tegen het fin de siècle gevoel in de literatuur, de kunstkritiek en de politiek, verzet Wittgenstein zich. Zijn ingenomen standpunten moeten daarom niet alleen vanuit een logisch-technische, maar ook vanuit een ethische bekommernis begrepen worden. Een bekommernis die alleen nog maar vergroot werd gedurende de Eerste Wereldoorlog, wanneer hij het grootste gedeelte van de Tractatus schrijft.

Oger: “Wittgenstein heeft geprobeerd in zijn filosofie de vrede te vinden die hij in de buitenwereld niet aantrof. Hij werd dagelijks geconfronteerd met geweld, oorlog en dood, daarom wilde hij zich verschansen in een boek waarin hij volmaakte helderheid, onwankelbare rust en onwrikbare rationaliteit zou kunnen verenigen. Deze behoefte zich in de wereld van zijn boek te willen verschansen had ook met zijn opvoeding en seksualiteit te maken. Wittgenstein had een zeer autoritaire vader en was onzeker over zijn homoseksualiteit. Hij schreef hier ook over in zijn notitieboeken in een soort geheimschrift dat recentelijk is gepubliceerd onder de naam Geheime Tagebücher.”

“Het oorlogsgeweld heeft zijn denken gestuwd tot de uiterste grenzen en zelfs voorbij deze grenzen, tot aan het woordeloze. In Wittgenstein's notieboeken zijn dan ook, afgezien van die zeer persoonlijke opmerkingen, regelmatig aantekeningen te vinden over de rol en de plaats van de filosofie, de ethische relevantie van zijn onderzoek van de taal en over de zin van het bestaan. Deze ethische dimensie ligt ook ten grondslag aan de Tractatus, alleen is ze niet zichtbaar. Eigenlijk is de Tractatus als een ijsberg op te vatten: slechts een piepklein gedeelte verschijnt boven het wateroppervlak. Achter datgene wat de lezer onmiddellijk meent te begrijpen, ligt nog veel meer verborgen.”

mailIcon print |