In het artikel 'Koude sanering in Zeeuws-Vlaamse r.-k. kerk' (Trouw van 29 januari) wordt geciteerd dat ik “steeds vaker” en “dan maar op het gevaar van de illegaliteit af” de ziekenzalving toedien in mijn functie van pastoraal werker voor drie parochies van Terneuzen en Sluiskil. Of ik was in het interview onduidelijk of de journalist heeft mij verkeerd begrepen, maar in ieder geval heb ik nooit mijn bevoegdheid overschreden en dus ook nooit gezalfd.
Mochten sommigen bij het lezen van mijn uitspraak hetzij de goedkeurende duim, hetzij de afkeurende wijsvinger hebben geheven (en nu mogelijk omgekeerd), door mijn medeparochianen werden er voornamelijk schouders opgehaald. Hun aandacht gaat momenteel uit naar het proces van kerksluiting en naar het naderend afscheid van mijn priester-collega.
Samen met twee vrouwelijke collega's en met twee priesters staan we nu voor de opgave voor de regio van acht Midden-Zeeuws-Vlaamse parochies een pastoraal werkplan op te stellen. De voortgang van de noodzakelijke financiƫle, infrastructurele en personele middelen en de continuering van het vele vrijwilligerswerk, zijn momenteel de grootste zorg van pastores, kerkbesturen en alle parochianen die zich medeverantwoordelijk voelen voor de toekomst van hun parochie.
Zelf haalde ik ook even de schouders op toen ik mijn eigen woorden anders las dan ik ze bedoeld had. Mijn zorgen en bezigheden voor die dag lagen (aanvankelijk) elders. Maar al vroeg in de morgen kwam een collega moeilijkheden voorspellen. Later belde een journaliste met de vraag of ik door mijn stoutmoedigheid de bisschop wou uitdagen. Kort daarna was de episkopos van Breda zelf aan de lijn. Hoewel Muskens een ferme rechtse schijnt te hebben, was er van bisschoppelijke zijde geen sprake van slaan en van mijn zijde in het geheel niet van zalven. Er is dus geluisterd en gesproken en ik heb mij kunnen verduidelijken.
Het gaat mij om de toekomst van de parochies waarvoor ik ben aangesteld en waarvoor ik mij verantwoordelijk voel. De continuïteit en kwaliteit van de pastorale zorg komen in het gedrang wanneer de huidige kerkelijke regelgeving inzake ambt en sacramentenbediening gehandhaafd blijft. Priesters, de sacramentenbedienaars en de dragers van de formele eindverantwoordelijkheid, worden steeds schaarser. Pastoraal werk(st)ers worden door de gelovigen aanvaard als volwaardige pastores, maar kunnen, zo dit hun roeping en verlangen is, niet geordend worden in het kerkelijk ambt. Het ontbreekt hun niet aan de vereiste opleiding of aan gelovig engagement, maar wel aan de juiste levensstaat of het vereiste geslacht. Toch zijn het meer en meer de pastorale werk(st)ers die samen met veel vrijwilligers hun beste krachten moeten geven voor de continuering en verdieping van de plaatselijke pastorale zorg. Hiervoor zijn de pastorale werk(st)ers aangewezen op alternatieve liturgische vormen (diensten van Woord en Communie vervangen de Eucharistieviering) en juridische spitsvondigheden (een 'papieren pastoor' die de formele leiding kan dragen zonder pastor te zijn). Deze inventiviteit is echter een stoplap die het geen tien jaar meer uithoudt.
De kerkelijke taken van heiliging, leiding en verkondiging vragen terecht om een degelijke ambtsordening. Waar ligt het probleem wanneer de huidige regelgeving een goede uitvoering en continuering van de pastorale zending gaat belemmeren? Toch niet bij een of ander pastoraal werkertje dat een 'verkeerde' uitspraak doet?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.