*

 
dossier

Archief

Bijna om de twee dagen schreef Da Costa een brief aan De Clercq, en omgekeerd

JAN DIRK SNEL − 02/01/98, 00:00

De dichter kon niet zingen. Dat is toch vreemd, want vroeger zongen dichters altijd. Zelden of nooit lees je dat dichters dichtten. Neem alleen de voorzang bij 'Vijf en twintig jaren - een lied in 1840' van Isaac da Costa, want over hem gaat het hier. Daarin beschrijft Da Costa zichzelf als een jongeling tot wiens verschijning zo ongeveer de hele lange geschiedenis van het Joodse volk leidde.

Aan de zoete boorden van de Amstel begon de snaar van de harp “van vervoering te beven, En des Jongelings greep had een oogenblik klem. O! hy zong”. In zestien strofen stromen er galmen, doet Israël liederen stijgen, zingt Juda en klinken er zilveren tonen. En dan laat ik de citer, de harp en de lier nog maar ongenoemd. Ach ja, muziek als metafoor voor dichtkunst, het is ingesleten taalgebruik. Dubois vond Da Costa's muzisch onvermogen kennelijk niet belangrijk, want hij meldt het slechts verdekt in een noot. Toch geeft het te denken. Het verklaart misschien waarom Allard Pierson meende, dat Da Costa geen lyrische, maar objectieve poëzie beoefende.

De dichter kon wel lyrisch bidden. Op een woensdagmorgen in juni 1826 maakte Willem de Clercq een huisdienst bij de Da Costa's mee. In het bidden van Da Costa, noteerde hij in zijn dagboek, “was zooiets geheel lyrisch . . . dat poëtischer was dan de hoogste poëzy”.

Da Costa bad ook voor zijn geliefde vriend. “In jaren”, schreef De Clercq, “was ik niet zoodanig geroerd geweest. Ik zag weder myne eigene nietigheid en Gods genade in Christus voor mij, zooals dit in vroegere merkwaardige gebeurtenissen van mijn leven geschied was. De tranen biggelden mij langs de wangen en ik moest diep getroffen erkennen: Dit is door den Heere geschied.”

Dubois beschrijft de vriendschap tussen de dichter en de zakenman aan de hand van de 3 500 brieven die ze elkaar in vijfentwintig jaar schreven. Aanvankelijk beperkte de correspondentie zich tot zo'n 20 brieven per jaar, maar in de laatste tien, twaalf jaar voor de vroege dood van De Clercq schreven de vrienden ieder gemiddeld 133 brieven per jaar.

Elke anderhalve dag ging er dus een brief in de ene of de andere richting. Dat mag je toch wel een romantische vriendschap noemen! En als ze elkaar nou nooit zagen, maar ze woonden allebei in Amsterdam, al vergeet Dubois helaas te melden waar hun woningen precies gesitueerd waren.

De vriendschap begon bij de literatuur, maar al gauw gingen andere thema's de briefwisseling beheersen: persoonlijke, familiaire en maatschappelijke bekommernissen en vooral kerkelijke en theologische problemen.

De levenslijnen van beide vrienden liepen in tegengestelde richting. Willem de Clercq (1795-1844) was maatschappelijk uiterst succesvol; hij werd directeur bij de Nederlandse Handelsmaatschappij en was daar onder meer verantwoordelijk voor de bekende koffieveilingen. Isaac da Costa (1798-1860) daarentegen wist nooit een goede maatschappelijke functie te verwerven. Hij gaf privé-colleges voor belangstellenden, maar verwierf nooit een professoraat.

Toen de één jaar oudere Heinrich Heine zich in 1825 liet dopen, beschouwde deze dat als een 'Entréebiljet zur europaïschen Kultur'. Toen Da Costa zich drie jaar eerder met zijn echtgenote aan hetzelfde christelijke ritueel onderwierp, leek hij juist het isolement te zoeken. Met zijn felle 'Bezwaren tegen den geest der eeuw' (1823) - het toenmalige paars noemen we biedermeier - joeg hij alle redelijke en verlichte mensen tegen zich in het harnas. Maar bij het klimmen der jaren werd hij milder en wijzer. En nadat hij in 1840 zijn poëtisch zwijgen verbroken had, werd hij een geëerd dichter.

Met Willem de Clercq ging het omgekeerd. In zijn jonge jaren toonde hij grote kunstzinnigheid. Hij had de gave der improvisatie. Bij een diner stond hij soms op en over een bepaald onderwerp vloeiden er honderden, soms meer dan duizend dichtregels spontaan uit zijn mond. En daarbij ging het echt niet om sinterklaasgerijmel.

Maar het lijkt wel of De Clercq masochistisch naar een knakking van zijn eigen talent zocht. Van het begin af aan was Da Costa zijn geestelijk leidsman. Maar later kreeg de theoloog H. F. Kohlbrugge een steeds grotere macht over zijn leven. De man kon ongenadig op de sensibele De Clercq inhakken. Steeds meer raakte De Clercq van zonde en schuld overtuigd.

In november 1840 noteerde hij in zijn dagboek (dat overigens 36 000 bladzijden telt): “Daar ging ik na bed, met Da Costa en Kohlbrugge als reuzen voor mij: de eerste met al mijn sympathie, al mijne herinneringen, al mijn wenschen; de ander met mijn gehele natuur tegen hem, en toch met een woord dat ik niet weg kan werpen, hoewel ik schrik voor de consequenties. Moge God de knoop doorhakken en mij Zijn wil tonen.” Da Costa kon in Kohlbrugges stelsel slechts opium zien, “dat onnatuurlijk opwekt, en onnatuurlijk rust geeft” (Marx was niet origineel).

Gelukkig beperkt Dubois zich niet tot de wereld van de geest. Onthullend is het hoofdstuk waarin hij het inkomen van beide vrienden narekent. De Clercq had een topsalaris. Nadat Da Costa erin geslaagd was zijn toch zeer rijke erfenis snel te doen slinken, werd hij door vrienden financieel ondersteund. Maar in een tijd waarin een geschoold arbeider of kleine middenstander van driehonderd gulden per jaar moest leven, meende hij echt met niet minder dan vier- of vijfduizend gulden rond te kunnen komen. Anders zou hij zijn stand verliezen. “Kom ik om, zoo kom om”, durft hij dan nog melodramatisch te schrijven. Tja.

Lees altijd de noten. Bijvoorbeeld die waarin Dubois het bekende boek van Buytendijk over 'de zorgende bestaanswijze van de vrouw' aanhaalt. Hij voegt eraan toe: “Wij onderschrijven de hierin verwoorde traditioneel-romantische visie op de vrouw”. Aan wie draagt Dubois dus zijn boek op? Aan zijn vrouw.

mailIcon print |