*

 
dossier

Archief

'Zal ik de prion-hypothese effe onderuithalen?'

Door: redactie − 10/04/96, 00:00

Nog steeds is de zogeheten prion-hypothese van de Amerikaan Stanley Prusiner, de stelling dat aandoeningen als de ziekte van Creutzfeldt-Jakob en BSE door een enkel, zij het zeer bijzonder eiwit - het prion - zouden worden veroorzaakt, onder wetenschappers omstreden. Dat het een belangrijke rol speelt bij de prion-ziekten staat vast; het wordt bij zieke dieren en mensen zonder uitzondering gevonden. De discussie spitst zich toe op de vraag of dit eiwit dè ziekteverwekker is, op de vraag of er misschien toch niet méér is.

Ik sta open voor alles, antwoordt Mari Smits op de vraag of hij een aanhanger is van de hypothese. Zij verklaart veel maar niet alles. Lucien van Keulen beaamt dat. Zal ik haar eens effe onderuit halen, zegt hij quasi-serieus.

Experiment: neem wat hersenmateriaal van een schaap met scrapie. Spuit dat in de hersenen van een muis. Na verloop van tijd wordt hij ziek. Er zijn in totaal al zo'n twintig vormen van scrapie bekend: ze verschillen in incubatietijd, de tijd tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen. Spuit je materiaal van elk van die twintig vormen in bij twintig identieke muizen, dan zie je ook daar twintig goed van elkaar onderscheidbare vormen van de ziekte bij de muis ontstaan.

Dit kun je nog indenken, zegt Van Keulen. Je kunt stellen dat er twintig scrapie-vormen zijn omdat er twintig defecten in het PrP-gen zijn. Dat elk van die defecten een ziekmakende variant van het eiwit met zich meebrengt. En dat de ene ziekmakende variant zijn werk sneller doet dan de andere omdat de ruimtelijke structuur van het eiwit dan wel dezelfde is, maar de chemische formule niet: elk gendefect correspondeert immers met een verandering in díe formule.

Maar nu komt stap twee: spuit hersenmateriaal van je twintig zieke muizen in twintig nieuwe, gezonde muizen. Ook zij worden ziek, sneller dan de eerste generatie omdat de soort-barrière van schaap naar muis al is genomen. Echter: de karakteristieke verschillen in incubatietijd blijven bestaan.

Let wel, zegt de onderzoeker: die muizen hadden allemaal hetzelfde, gezonde PrP-gen. En dus allemaal dezelfde, gezonde eiwitvorm met dezelfde chemische formule. Dat je toch weer twintig vormen van de ziekte krijgt, kun je dus niet meer uit verschillen in die formule verklaren. Wat dan overblijft is, dat het goede muizeneiwit, bij contact met de verschillende foute schapeneiwitten, twintig verschillende ruimtelijke vormen kan aannemen. Eén chemische formule die in twintig ruimtelijke structuren kan resulteren: daar kunnen onderzoekers niet bij.

Het is dit experiment dat sommige wetenschappers nijver doet blijven speuren naar erfelijk materiaal. Naar een bewijs dat er met het eiwit DNA (of een daaraan verwante stof: RNA) 'meereist'. Zulk materiaal, bijvoorbeeld een virus, zou in twintig vormen kunnen bestaan. In deze theorie is dan niet het foute eiwit maar zo'n virus de eigenlijke oorzaak van de ziekte.

Bestaat niet, zegt Prusiner: als je besmet materiaal, hersenen van schapen met scrapie bijvoorbeeld, met ultraviolet licht bestraalt, wordt het ongevaarlijk. En van ultraviolet licht is bekend dat het DNA en RNA vernietigt. Maar ja, zegt Van Keulen, hoe zeker is het dat ultraviolette licht al je erfelijk materiaal kapot maakt?

Van Keulen vertelt van een conferentie in maart, in Parijs. Daar meldde een Amerikaanse onderzoekster dat zij DNA had gevonden. Het verhaal was summier, het moet nog gepubliceerd worden. Het is ook niet de eerste claim in dit opzicht. Volgens Van Keulen gelooft echter zelfs Prusiner niet langer onvoorwaardelijk in zijn hypothese. Hij lanceerde onlangs de idee dat er niet één maar twee eiwitten zijn: het prion en een nog onbekend tweede eiwit dat hij voorlopig proteïne-X heeft gedoopt.

mailIcon print |