*

 
dossier

Archief

HEERLIJK OP MIJN KNIEEN HET HUIS DWEILEN

ARJAN VISSER − 28/03/98, 00:00

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

Ik was alleen maar bezig met die sport, vierentwintig uur per dag gefocust op lopen, lopen en nog eens lopen. Ik bad wel, daar niet van, maar ik heb me pas achteraf gerealiseerd dat ik alleen heb gebeden wanneer het mij uitkwam. Wanneer ìk het nodig had. Op de baan, vlak voor de race. Of ik ging een week voor een belangrijke wedstrijd naar de kerk. Zo hypocriet! Misschien heeft het toen gevoeld alsof ik oprecht met het geloof bezig was, maar nu weet ik dat het vooral ging om mijn eigen belang.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Het komt dicht in de buurt van verafgoden: ik heb mezelf tijdens mijn sportloopbaan helemaal overgeleverd aan mijn trainers. Zij waren vaderfiguren voor mij. Ik heb mensen nodig bij wie ik mijn hoofd op de borst kan leggen. Dat kon bij mijn trainer Henk Kraayenhof. Die man is zo uniek. Henk wist alles van me en hij was er altijd voor mij. Ik voerde met hem dezelfde strijd als die ik met mijn vader voerde. We hielden van elkaar, maar konden ook heel erg botsen. Zo herinner ik mij dat ik op de baan een keer tegen hem heb gezegd: 'Henk, je bent een klootzak, waarom loop je niet zelf? Jij maakt toch die schema's? Pleur op, ik loop niet mee'. Maar dan deed ik het toch en dan kwam hij na afloop 'Goed gedaan hoor, kind' tegen mij zeggen.”

“Ik heb altijd bewondering gehad voor sterke mannen. Toen ik als klein meisje voetbalde, was Cruyff mijn grote idool. Ik wilde net zoveel bereiken als hij. Jaren later heb ik hem ontmoet en ik zag meteen waarom nu juist hij mijn voorbeeld was geweest op dat gebied: Johan Cruyff is heel gewoon gebleven. Een straatjongen die het erg ver heeft geschopt. Ik ben niet zo beroemd als hij, maar ik heb, voor Nederlandse begrippen, toch veel bereikt. Ik ben op een leuke, speelse manier bekend geworden.”

3. Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken

“Ik probeer niet te vloeken. Als er kinderen bij zijn, zeg ik: 'Potjandrie! Je bent een oelepetoet!' Als ik echt kwaad ben, kan ik beter mijn mond dichthouden en weggaan. Ik word niet snel kwaad, maar als het gebeurt, dan ben ik het op een vreselijke manier en kan ik wel eens gvd roepen. Maar als ik gvd heb gezegd, fluister ik altijd in mezelf: 'Sorry God'. Ik praat met Hem alsof Hij een gewoon mens is, zo ziet Hij er voor mij ook uit. Een wat oudere man, met langer haar en een mooie, volle baard. Iemand die respect afdwingt. Ik geloof ook in een hemel en in een hel. Je komt in de hel als je Jezus Christus niet aanvaardt. En je komt in de hemel als je dat wel doet. Daar geloof ik heilig in. Veel mensen zeggen: 'Ik hoef niet te geloven, want ik doe zoveel goede dingen'. Dat is geklets. Ze doen hier iets goeds voor de één en trappen daar een ander omver. Je kunt pas goede dingen doen, als je Jezus Christus kent.”

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen

“Ik ga heus niet iedere zondag naar de kerk. De mens heeft toch die dagen ingesteld? Van oorsprong zijn volgens mij zelfs de eerste drie dagen van de week heidense dagen. Je moet gewoon één dag vrijmaken. Als ik één rustdag tussen mij en God heb, is dat voldoende. Ik ga nu graag op zondag naar de kerk, maar vroeger ging ik ook wel eens op woensdag of zaterdag. En als ik in het vliegtuig zat, op weg naar een of andere wedstrijd, dan sloeg ik mijn Bijbel open en was ik op die manier met God bezig. Wat maakt dat nou uit? Dat vind ik overigens ook zo schijnheilig van mensen: zondag zitten ze braaf in de kerk en maandag hangen ze weer de beest uit. Je moet niet alleen op zondag met God bezig zijn, maar ook alle dagen daarna. Ik denk dat veel mensen de Bijbel te letterlijk nemen. Je moet het ook geestelijk nemen en je kunt het alleen maar geestelijk nemen als je contact hebt met God. Niet dat wettische. Ga heen en vermenigvuldig u, betekent toch ook niet dat je veertig kinderen op de wereld moet zetten? Het is het geestelijk vermenigvuldigen. Dus dat ik zeg: 'Jezus Christus leeft' en een ander dat verder gaat vertellen. Zo moet je dat zien.”

5. Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder is mijn grootste voorbeeld. Niemand kan tippen aan wat zij heeft gedaan. Ze heeft een heel erg moeilijke jeugd gehad, haar moeder is overleden toen zij acht jaar was. Zes kinderen heeft ze grootgebracht terwijl ze de eerste jaren van haar huwelijk rond moest zien te komen van vijfentwintig gulden in de week. En op haar vijfenvijftigste is zij nog eens afgestudeerd op de Sociale Academie. Mijn moeder staat altijd voor anderen klaar, soms zelfs ten koste van haar eigen gezondheid. De liefde die ze ons heeft gegeven, is meer waard dan al het geld in de wereld. Door haar zijn wij mensen geworden die ook liefde aan anderen kunnen geven.”

“Met mijn vader had ik een bijzondere band. Alle kinderen waren gelijk - kampioen of niet - maar wij hebben hetzelfde karakter en botsten daarom nogal eens. Maar ik kon ook alles tegen hem zeggen. Ik kon zeggen: 'Wie denk je wel niet dat je bent?' en van mij accepteerde hij dat. En als ik vroeg: 'Pa, leen mij eens even honderd gulden', dan deed hij dat meteen. Hij was vreselijk trots op me, maar lette er ook wel op dat ik niet naast mijn schoenen ging lopen. De eerste keer dat ik Europees kampioen werd, heeft hij me twee weken laten gaan. Ik liep met mijn hoofd in de wolken! Totdat hij op een feestje ineens uitriep: 'Zo en nu weer met je beide poten op de grond!' Toen was het over en uit met de euforie. Maar later kon hij toch niet voorkomen dat ik alsmaar met die sport bezig was. Ik werd egocentrisch, kon alleen maar denken: het is mijn boterham, ik moet presteren en de rest past zich maar aan. Ik was zo gefixeerd, dat ik niet eens meer zag dat hij ziek was. Er zijn allerlei tekenen geweest, maar ik was er blind voor. Een maand voordat hij overleed, heeft mijn vader mij een ketting gegeven waarin hij had laten graveren 'Voor mij blijf je altijd de eerste'. Had hij daar ook niet iets mee willen zeggen? Op een dag moest hij naar het ziekenhuis en hij vroeg mij of ik hem wilde brengen. Ik zei nee. Hij zei: 'Ik ga dood'. Ik zag ook wel iets geks aan zijn ogen, maar ik kon de gedachte dat er misschien echt iets mis was, niet toelaten. Dus zei ik: 'Ach man, dan ga je toch dood? Bekijk het maar'. Hij werd door iemand anders gebracht en raakte, niet lang na aankomst, in acute coma. Ik ben erheen gegaan en heb nog wel met hem gesproken, maar ik geloof niet dat hij me heeft gehoord. Zo is dus uiteindelijk het laatste wat ik tegen hem heb gezegd, iets als: 'Ga je toch lekker alleen' geweest. Hij was al eens eerder opgenomen geweest en gewoon weer naar huis gekomen. Maar dit keer kwam hij niet terug. Mijn vader stierf in het ziekenhuis. Ik was zo kwaad. Kwaad op God vooral - je moet toch iemand de schuld geven? Ik kan niet eens de woorden vinden om mijn woede uit te drukken. En ik wilde ook niet laten zien hoe boos, hoe verdrietig ik was. Als mensen mij ernaar vroegen, zei ik: 'Ach, iedereen gaat een keer dood, het doet me eigenlijk niet zoveel'. Zes jaar lang heb ik het opgekropt, met me mee gezeuld. Toen kwamen de Europese Kampioenschappen van 1994. Ik was afgeschreven door alle sportjournalisten: 'Cooman kan niks meer'. Het ging ook niet goed met mij, ik was ongelukkig. Ik ging nog wel naar mijn familie toe, maar leefde vooral heel erg mijn eigen leven. En vlak voor die kampioenschappen dacht ik: ik ga het nog één keer proberen. Voor mijn vader. Echt voor mijn vader. Dat heeft me verdomme zoveel kracht gegeven. Ik was geopereerd aan mijn knie, had niets dan ellende achter de rug en toch werd ik eerste. Niemand had het verwacht. Ik heb nog een foto van dat moment: ik lach en huil tegelijkertijd. Het was zo'n bevrijding! Ik ben daags erna naar het strand gegaan, heb gebruld, gehuild. Ik heb al mijn zelfmedelijden eruit gegild. Daarna ben ik naar mijn vaders graf gegaan en ik voelde dat al die opgekropte woede eruit was. Ik had altijd van die rare dromen over mijn vader gehad. Meestal had ik ruzie met hem. Dan zag ik hem in mijn huis en zei: 'Wat kom je hier doen? Je bent toch dood? Ik wil je hier niet meer zien!' En nadat ik Europees kampioen was geworden, ging ik in mijn dromen met mijn vader dansen. Dan gingen we samen naar feesten en bracht ik hem aan het einde weer terug naar zijn graf. Ik voel nog wel eens de pijn van het gemis, maar ik heb me nooit meer schuldig gevoeld om zijn dood.”

6. Gij zult niet doodslaan

“De man die mijn neefjes of nichtjes pijn doet, zal ik helemaal in elkaar tremmen. Misschien zelfs vermoorden. Ik zou daar later vast spijt van hebben, maar op het moment zelf zou ik, denk ik, niet anders kunnen. Ik word al driftig als mijn eigen zussen hun kinderen een standje geven - terwijl ik vind dat ik zelf alles mag zeggen. Ik ben ook wel streng tegen ze. Het is 'Tante Nelli' en 'Wat zegt u?' Respect is belangrijk. Ze moeten weten wie de baas is, maar ook weten dat die baas zijn macht nooit zal misbruiken.”

7. Gij zult niet echtbreken

“Ik ben gescheiden en mensen uit de Pinkstergemeente, waar ik in die tijd bij hoorde, hebben mij daar om veroordeeld. Dat waren de mensen die mijn ex misschien een paar uur per week zagen - zij zaten niet vierentwintig uur per dag vast aan die man. Als je niet gelukkig bent, je lelijk voelt en je op een bepaald moment zelfs gaat afvragen of je leven nog wel de moeite waard is, wat is er dan belangrijker? Maar die kerkleden meenden mij te moeten aanspreken op mijn 'slechte' gedrag, meenden mij kwalijk te mogen nemen dat ik mijn man had verlaten. Ik heb altijd gedacht: er is een rechtstreekse weg tussen God en mij, dat lijntje loopt niet via de kerk. Ik zei ook tegen die mensen: 'Moet je horen, ik loop stukken van 60 of 100 meter, recht vooruit. Daar zitten geen bochtjes in, ik ben straight to the point en als God het mij heeft vergeven, wie bent u dan om mij te blijven nadragen dat ik mij bezondigd heb aan niet naleven van dit gebod? Ik kon na mijn scheiding ook een hele tijd niet meer naar die kerk toe, ik heb niet durven bidden, niet uit de Bijbel willen lezen. Ik was toch geïmponeerd door hun gedrag. En misschien was ik ergens ook wel bang dat zij gelijk hadden; dat ik in de hel zou komen. Weet je hoe dat voelt, als ze zoiets tegen je zeggen? 'Je komt in de hel!' Of dat er een voorganger aan de deur komt, die ziet dat je samenwoont en daarom rechtsomkeert maakt? Na korte tijd, toen ik weer wist dat ik me niets van die anderen hoefde aan te trekken, durfde ik weer naar de kerk te gaan. Inmiddels ga ik naar de Nederlands Hervormde kerk, maar dat heeft niets met die echtscheiding te maken. Het is gewoon dichterbij. Het maakt ook allemaal niets uit. Ik ben katholiek opgevoed, heb zelfs mijn eerste heilige communie nog gedaan. Ik ga naar de kerk omdat ik Jezus Christus wil aanbidden, niet om mensen te ontmoeten. En we bidden toch allemaal tot dezelfde God?”

8. Gij zult niet stelen

“Ik heb als kind een cent gestolen uit mijn moeders portemonnee. Het was in Suriname, ik was nog maar een dreumes en helemaal gek van kakastong, dat zijn kleine, zoute, gedroogde pruimpjes. Ik had die cent genomen en was in mijn onderbroek de straat over gestoken. Kauwend en smakkend liep ik terug naar huis. Mijn moeder was aan het koken, ze had met haar handen bouillonblokjes fijngewreven. Ze vroeg: 'Wat heb je in je mond?' Ik zei: 'Een kakastong'. 'Hoe kom je aan het geld?' 'Gevonden'. 'Hoe kom je aan het geld?', vroeg ze nog eens. 'Uit de portemonnee', zei ik nu. En toen sloeg ze met de vlakke hand tegen mijn mond, een paar keer achter elkaar. Haar ring raakte mijn lip en die ging bloeden. Ik proef nog het zout van de bouillon. Mijn moeder zei: 'Je mag niet stelen, je mag niet in je onderbroek naar de winkel en je mag niet alleen de drukke straat oversteken'. Ik schaamde me er zo voor om die tikken, in het bijzijn van andere kinderen, te krijgen dat ik mijn haren loshaalde en krijsend door het zand ging rollen. Om het allemaal nog erger te maken. Om mijn moeder gek te maken. Ik weet niet of zij zich daar iets van heeft aangetrokken, maar ik heb na die keer nooit meer iets gestolen.”

9. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“Ik heb tegen mijn ex-man gelogen. Ik heb tegen hem gezegd dat ik van hem hield, terwijl het niet zo was. En op feestjes, als mensen aan mij vroegen: 'Hoe gaat het met jullie?', zei ik: 'O, prima hoor, we hebben het heerlijk samen', terwijl ik bij mezelf dacht: verdomme, ik wou dat het over was. Ik heb mezelf voor de gek gehouden; ik heb er vier jaar over gedaan om los te komen. Misschien was het wel vanwege de buitenwereld dat ik er al die tijd niets over had durven zeggen: hoe zullen ze hier op reageren? Mensen schrokken zich ook wezenloos toen ik vertelde dat we uit elkaar gingen, maar voor mij was het een bevrijding toen de kogel door de kerk ging. Na de echtscheiding nam ik me voor, nooit meer met zulke grote leugens te leven. Dat is tot op heden ook niet gebeurd, maar misschien is het toch niet te vermijden. Wij zijn met leugens geboren. Het enige wat we kunnen doen, is iedere avond weer vergiffenis voor onze zonden vragen.”

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Als mijn buurvrouw morgen een bankstel koopt, ga ik niet overmorgen naar de stad om er ook een te halen. Ik begeer niets dat van een ander is. Ik weet niet wat het kruis van mijn buurvrouw is, zou ik dat dan ook moeten dragen? Ik heb mijn eigen kruis. Ik heb ook geen dingen gedaan ten koste van anderen. Ik ben wel een streber, maar dat is toch iets anders. Ik heb er keihard voor moeten werken om bekend te worden. Ik rij in een schitterende auto, heb een prachtig huis. Mensen zeggen: 'Moet je kijken, die Cooman, met haar auto en haar huis...' maar ze vergeten dat als ik 's morgens om zes uur uit mijn nest kwam, zij zich nog eens om konden draaien. En als ik om acht uur thuis kwam, was bij hen de vaat al gedaan. Ik wilde niet per se rijk worden, ik wil gewoon altijd de beste zijn in wat ik doe. En ik wil onafhankelijk zijn. Ik wil nu bewijzen dat ik niet alleen teer op mijn sportcarrière, maar dat ik daarnaast nog een leven heb. Weet je dat ik het heerlijk vond om vanmorgen op mijn knieën het huis te dweilen? Ik ben tevreden. Ik ben wijzer geworden, rustiger. De dingen die ik in de afgelopen jaren heb geleerd, komen nu pas goed naar boven drijven. En ik ben een stuk gelukkiger nu, echt. Ik trouwde voor de eerste keer toen ik eenentwintig was en alles draaide om de sport; sport ging boven alles. Nu ben ik getrouwd met Ronald en ik voel me een vrouw. Ik voel me niet langer Nelli Cooman, het publiek bezit. Nee, ik ben de vrouw, de echtgenote van Roon. In het begin was het leuk hoor, die bekendheid, maar ik ben op een punt gekomen waarop ik liever wordt aangesproken op de boodschappen in mijn winkelwagentje, of het wasgoed aan mijn waslijn. Da's veel leuker dan al dat geklets over hardlopen. Vroeger vroegen ze mij op feestjes: 'Hoe gaat het met het lopen?' Nu vragen ze me: 'Ben je gelukkig, zo zonder die topsport?' En nu kan ik zeggen: 'Ja, ik ben gelukkig. Omdat ik iemand naast me heb, die mij het geluk brengt'. Hij is lief, aardig en streng als dat nodig is. Hij is iemand die zegt: 'Tot hier en niet verder'. Dat is precies wat wij bazige types nodig hebben.”

mailIcon print |