Op een groep van twaalf jongens zitten er altijd dertien, weten jeugdhulpverleners. Die dertiende, dat is de groep zelf. Als je niet in staat bent die te beheersen, kun je die andere twaalf niet behandelen.
“Dan krijg je groepsterreur, geweldsuitbarstingen”, zegt Cees van der Kolk, al 27 jaar werkzaam in de jeugdhulpverlening. “Ooit werkte ik als groepsleider op de Nederlandse Mettray, een justitiële inrichting in Rekken. Ik heb meegemaakt dat zo'n groep een gloednieuw paviljoen sloopte. Kijk naar de rellen in Groningen, Arnemuiden. Dat zijn ook jongens die gevoelig zijn voor groepsdruk. Ze trekken zich meer aan van elkaar dan van volwassenen. Ze distantiëren zich als groep van de volwassen maatschappij. Dan sta je daar als groepsleider meer politieagent te wezen dan dat je de jongens wat bijbrengt.”
Van der Kolk werkt inmiddels als behandelcoördinator op 't Wezeveld in Twello, een open internaat voor jongeren vanaf twaalf jaar met ernstige gedragsproblemen en/of ontwikkelingsstoornissen. Het is onderdeel van de Hoenderloo Groep. Op één van de vijf leefgroepen van 't Wezeveld gebruikt Van der Kolk die groepsdynamiek om 'zware jongens' weer op het rechte pad te krijgen. Deze jongens vormen geen leefgroep waarin een ieder individuele therapie krijgt (zoals gebruikelijk in de jeugdhulp), maar zijn zij een 'jeugdbende' waarin het individu ondergeschikt is.
De Bende van Samster (samen sterk) kent geen huisregels. De jongens die er terechtkomen, hebben er immers een levensdoel van gemaakt zich tegen regels af te zetten. Nee, er zijn normen, er is een hiërarchie en je kunt een bepaalde status verwerven. Net als in de straatbendes waar de jongens uit komen. Bij Samster echter, ben je pas een bink als je je de positieve normen eigen maakt. Zoals respect hebben voor elkaar en zorgen voor een goede leefomgeving. Groepsleiders en pupillen staan hier niet tegenover elkaar. De jongens en hun coaches vormen samen de Bende van Samster en moeten er ook samen zorg voor dragen dat de normen van Samster worden nageleefd.
Na ruim twee jaar experimenteren met deze in Amerika afgekeken aanpak, spreken Van der Kolk en zijn directeur Hans Nieukerke van de Hoenderloo Groep van 'bemoedigende resultaten' en zelfs 'een succes'. “Ondanks het feit”, zegt Nieukerke, “dat het experiment te kleinschalig is om ons gelijk wetenschappelijk te bewijzen. De bende bestaat steeds uit zo'n tien à dertien jongens met (overdag) twee coaches. Maar in de hulpverlening is er inmiddels een hele rij van enthousiastelingen die gretig naar deze aanpak kijken. En dan zijn er de resultaten in de Verenigde Staten. Op de Glenn Mills Schools in de staat Pennsylvania wordt al meer dan twintig jaar op grote schaal met deze methode gewerkt. Om die resultaten kan niemand heen.”
Nieukerke vindt dan ook dat de overheid dit jaar over de brug moet komen met het nodige geld om het kleinschalige experiment op grotere schaal voort te zetten. Samster moet een jeugdbende worden met wel vijftig jongens.
Nieukerke bestookt ministers, staatssecretarissen en Kamerleden met informatie en resultaten. Wie het niet gelooft, mag komen kijken. Staatssecretaris Terpstra (Welzijn) is al geweest. Ook de kinderrechters mochten zich verheugen op een boekwerkje met citaten van zware jongens. Bendeleden, pubers soms nog, verslaafd geweest aan drugs, al dan niet veroordeeld voor diefstal, berovingen, mishandeling, vernieling of zedendelicten. Jongens die al na een paar maanden Samster vertellen hoe zij hun best doen en hoe trots zij zijn op wat ze bij Samster bereiken.
Het was Cees van der Kolk die de Amerikaanse aanpak bij zijn werkgever aanprees. Op een congres voor jeugdhulpverlening in Duitsland ontmoette hij Sam Ferrainola, die er vertelde over het succes van zijn Glenn Mills Schools voor jonge delinquenten. Van een jeugdgevangenisje met 23 jongens in 1975 maakt Ferrainola het tot een open samenleving van ruim negenhonderd jongens en mannen. Zonder tralies en met positieve normen. De Amerikaan, van Italiaanse afkomst, groeide zelf op in een jeugdbende. “Dus ik wist dat deze jongens niet gek zijn en dat ze een erecode kennen”, zegt hij in het boekje over het Samster-experiment. “Wij hadden onze eigen waarden. We stalen niet van elkaar. Ik wist dat mijn maten best konden leren, dat ze alleen nooit moeite hadden gedaan. Ik besefte dat deze jongens in een andere omgeving best konden presteren.”
Per jaar vallen maar vijf jongens op de Glenn Mills Schools uit. Meestal omdat ze toch ongevoelig blijken voor de groepsdruk. Voordat Ferrainola er de scepter zwaaide, kwam 90 procent van de ex-pupillen binnen twee jaar weer in aanraking met de politie. Nu blijft zo'n 70 procent gedurende twee jaar na Glenn Mills op het rechte pad. Cees van der Kolk was zeer onder de indruk. Vooral na een bezoek aan het complex in de Bronx, ten zuiden van Philadelphia. “Kijk”, zegt Van der Kolk, terwijl hij gaat staan. “Ik ben niet klein, maar daar zijn kerels... zó breed. Ze groetten me netjes, spraken beleefd. Ik geloofde het allemaal niet zo. Ik vond het zelfs een beetje eng. Dit waren toch criminelen?”
Hetzelfde gevoel bekruipt de verslaggeefster als ze even later met twee jongens van de Bende van Samster praat. Jongens met flink wat op hun geweten. Drugs, vechtpartijen, inbraken. Met hun maten op straat voor de duvel niet bang. Een verleden van provoceren en intimideren. Nu zitten ze fris en goedlachs aan tafel. Ze komen net van school, de Cornelis Beetsschool voor VBO op het instellingsterrein in Hoenderloo. Frank Lambertz reikt Ronny Baaijens een flesje cola aan. Een opgewekt 'dankjewel Frank' volgt. Trots zijn ze allebei, dat ze van de drugs af zijn. Mooi vinden ze het, om hier aan hun toekomst te werken. Aan het eind van het gesprek komt Van der Kolk binnen, die de glazen op het dienblad verzamelt. “Geef maar hier”, zegt Ronny, “waar moet het heen?” En tegen de verslaggeefster: “We wilden u hartelijk bedanken dat u bent gekomen.”
Het lijkt zo een goed geregisseerde voorstelling. Maar tijdens het gesprek is aan de jongens te zien dat zij oprecht een andere wending aan hun leven willen geven. Ze willen erbij horen. Bij die bende, waar drugs taboe zijn, waar je niet met je moddervoeten door de gang loopt die net door een van je maten is gedweild, waar je niet 'gatverdamme' zegt als de maaltijd je niet smaakt.
Dat 'erbij willen horen' is precies waar het om draait bij Samster. “Op het moment dat déze jongens de kans krijgen zich terug te trekken”, zegt Van der Kolk, “geef je ze de kans om negatieve gedachten te ontwikkelen. En negatieve gedachten leiden tot negatieve acties. Het uitbroeden van plannetjes. In de straatbende hadden ze ook geen mogelijkheid om zich in hun eentje terug te trekken. Deze jongens zijn gewend om altijd samen te zijn. Dat is echt niet zielig voor ze. De totale invulling van het dagprogramma is juist bedoeld om het 'hangen' te voorkomen. De sociale controle tussen de jongens onderling speelt een grote rol. Je ziet dat ze het niet leuk vinden om gecorrigeerd te worden door hun maten. Het doorbreekt de traditionele gezagsverhoudingen. ”
De Samster-bendeleden hebben net als ieder ander behoefte aan erkenning, geborgenheid, veiligheid en status. Ze hebben die alleen op een verkeerde manier bevredigd, door zich bij een straatbende aan te sluiten. Bij Samster krijgen ze status door het behalen van certificaten. Je kunt je opwerken van Groepslid tot Opper, Assistent en uiteindelijk Master. Deze laatste titel is nog door niemand behaald. Wie zich Opper mag noemen, neemt deel in het Groepsbestuur, waar ook de dienstdoende coach in zit. Dat bestuur beoordeelt iedere dag alle bendeleden met een plus-dag (bijvoorbeeld een goede daad verricht door iemand bij te staan) of een nul-dag (bij respectloos gedrag).
Van der Kolk: “Als je deze jongens vraagt wat ze later eigenlijk willen, schetsen ze uiteindelijk allemaal een positief toekomstbeeld: een vrouw, een kindje en een huisje. Al hebben ze er net een afgebrand.”
'ALS JE DRUGS GEBRUIKT BEN JE DOOD'
Ronny Baaijens (17): “Je naam in de krant, da's toch wel iets om trots op te zijn. Of ik iets heb om trots op te zijn? Tuurlijk: waar ik nu aan werk bij Samster. Da's een heel nieuwe ervaring. Ik ben van de drugs af en ik werk aan mijn toekomst. Daar ben ik trots op. Ik was veertien toen ik aan de drugs raakte. Twee jaar lang zag ik eruit als een junkie. Ik wás ook een junk. Nu pas kom ik erachter waarom het zo is gegaan.
Het was stoer om met de jongens mee te doen. En als ik gebruikte, dacht ik niet aan de problemen die ik thuis had. Al die regels waar ik me aan moest houden. Ik ging met oudere jongens om van achttien, negentien jaar. Die mochten kei-lang buiten. Ik niet. Ik heb ons vader en ons moeder veel kwaad gedaan. Ik bleef hele nachten weg en zag er niet uit. Iedere minuut hebben ze zich zorgen gemaakt: hoe zou 't met Ronny gaan?
We zaten vaak, met wel honderd man, op een kinderboerderij in Veldhoven. De jongens kwamen uit de hele streek. Gingen we naar het centrum van Veldhoven. Dan was het rellen geblazen. Lachen, gieren, brullen.
Niet slopen om te slopen. Er waren oudere jongens bij die zeiden: 'Daar verdien je geen geld aan'. Inbreken, een auto pikken, dan had je wat. Of je kreeg een tip. Als je dat en dat huis in de fik steekt, krijg je zoveel geld. Heb ik wel eens met iemand gedaan. Je zet je verstand op nul en doet het gewoon. Je voelt je een mietje als je het niet doet.
Er was niemand thuis. Dat wist ik ook wel. Ja, ik ga niet iemand in de fik steken. Ik weet zelf hoe dat voelt. Ik heb mijn hand wel eens verbrand. Dat doet kei-pijn. Nee, ik heb wel gevoel voor de mens. Ik heb nooit zelf iemand lichamelijk pijn gedaan.
Slachtoffers? Ja, daar denk ik nu wel aan. Maar nu ben ik nuchter. Nu heb ik geen drugs in mijn lijf. Dan kun je beter nadenken. Dat leer ik hier ook: eerst nadenken voor je iets zegt of doet.
Als je drugs gebruikt, ben je dood. Echt, het stopt je leven. Het ging heel slecht met me, tot ik in september vorig jaar van de kinderrechter hierheen moest. Ik ben nu afgekickt. Wij op Samster zien alles op een positieve manier. Het negatieve, waar jij goed in bent, proberen we om te schakelen naar iets positiefs.
Klinkt mooi? Het ís ook mooi. Om te zien dat je leven verder kan gaan. Toen ik hier kwam, vroegen ze naar mijn positieve kanten. Ik wist er geen een van mezelf. Waar ben je goed in? Ik wist het niet. Nu weet ik dat ik goed mensen kan helpen. Ik doe veel voor een ander. Weinig voor mezelf.
Als je net bij Samster komt, ben je niets. Maar de jongens behandelen je met respect, dat is het belangrijkste hier. Respect. En ze letten op je. Als je 63 plusdagen hebt, krijg je je eerste certificaat. Dan ben je Groepslid. Weet je waar ik trots op ben? Dat ik het in 57 dagen heb gehaald. Omdat ik zo goed mijn best heb gedaan, kreeg ik extra plusdagen.
Soms is het moeilijk. Gister, bijvoorbeeld, had ik een nieuwe Australian trainingsbroek aan. D'r zat een gat in, maar die broek zit gewoon lekker. Zegt de coach: 'Wil je die broek uittrekken, het is geen gezicht met dat gat'. Ik dacht: 'Dikke lul, flikker op. Die broek heeft me vijftig gulden gekost en dan mag ik 'm niet aan?' Ik was pissed-off. Maar ik hield me rustig en heb eerst nagedacht. Ik heb het goed op Samster, dat wil ik niet verpesten door kwaad te worden. En dan krijg je nog een nul-dag ook. Dus ik ben maar een andere broek aan gaan trekken.
Het is toch fijn dat je ouders ook een keer in je leven trots op je kunnen zijn. Dat ze zeggen: 'Goed zo, goed zo'. Dat heb ik nooit gehad. Ik heb altijd gehoord: 'Nee, dat mag je niet'. Of: 'Dat doe je niet goed'. Nu verdien ik het gewoon allemaal. Misschien word ik hier nog eens Opper. Assistent? Dat denk ik niet. Op 27 november dit jaar word ik achttien. Ik mag dan nog een jaar bijtekenen, maar dat doe ik niet. Ik wil weer thuis gaan wonen, bij mijn ouders en mijn broer. Om te laten zien wat ik in dit jaar heb geleerd. Dan ga ik één keer per week naar school, en voor de rest werken. Proberen geld te verdienen en later op mezelf gaan wonen. Ik weet dat ik dat kan.''
'JE WILT TOCH ALLEMAAL EEN GOEDE TOEKOMST'
Frank Lambertz (16): “De eerste dagen hier op Samster dacht ik: 'Wat is dit?' Ik was van de andere internaten dat spelletje gewend van: wij jongeren tegen de groepsleiders. Maar hier gaan ze met respect met elkaar om. In 'normale' tehuizen zeggen de jongens: 'Wil je drugs? Ik heb wat voor je'. Of: 'Daar en daar kun je 't krijgen'. Hier zeggen ze: 'We helpen je wel om er af te blijven'. Ja, ja, dacht ik. Dat zeggen ze nu. En ondertussen zitten ze de boel te flessen. Maar na een paar weken zag ik dat ze het menen. Daar sta je echt versteld van.
Ik was tien toen mijn moeder stierf. Ik bleef alleen achter met mijn vader. Die was altijd uit werken. We woonden in een beetje een achterbuurt. Met mijn moeder had ik een heel goede band. Maar nu was er niemand die me tegenhield als ik met de verkeerde mensen omging. Mijn vader gaf me juist meer vrijheid èn geld. Tja, als je dan drugs aangeboden krijgt... Ik ben tussen die mensen opgegroeid. Dealen, gebruiken, criminaliteit ja. Dan weet je geen andere manier. Nu wel. Als je een conflict hebt: uitpraten in plaats van erop slaan. Als je ergens mee zit: keer je niet in jezelf met drugs, maar praat erover. Als je geld wilt: ga werken en niet inbreken. De eerste keer dat ik in een internaat zat, ben ik eruit gezet. Van andere tehuizen ben ik weggelopen. Ik heb ook op straat geslapen. Vorig jaar heb ik tienduizend gulden gestolen van mijn vader en zijn vriendin. In Maastricht ben ik opgepakt. Een maand lang zat ik in een politiecel. Ik had wel vaker gezeten, maar dit keer was het zwaar. Ze hielden me er omdat ik nergens anders heen kon. Altijd ruzie met mijn vader. Niemand wilde me opvangen, vanwege die drugs. Ik was al vijf jaar verslaafd. In die politiecel ben ik afgekickt. Mijn vader vond het wel rot voor me en is toen bij de jeugdbescherming op de tafels gaan springen. Totdat ze hier op Samster een plek voor me hadden.
We waren altijd met een behoorlijk grote groep jongens midden in het centrum van Heerlen. We hingen er rond. Stoeptegels gooien, auto's op z'n kant leggen, ruiten ingooien. Iedereen gaat voor je aan de kant als je met zo'n groep in de stad komt. Op koopavond deden we dat vaak. Een machtig gevoel geeft dat. Wat je eraan hebt? Nou gewoon... Je had verschillende groepjes. Iedereen keek op naar de machtigste groep. Daar zat ik bij. Als iemand ons belazerde met drugs, dan gingen we daar met z'n allen op af. Er op los beuken. Met je vuisten of met wapens. Je was woest, dan dacht je niet meer na. Nu zou ik dat niet meer zo doen. Nou ja, wel als er heel rare dingen gebeuren. Als ze mij slaan of aan mijn familie komen.
Ik heb geen spijt van wat ik allemaal gedaan heb. Ik vind het wel rot voor die mensen. Spijt komt misschien wel met de jaren, zei de kinderrechter. Ik weet het niet. Het komt door de drugs. Daar word je hard van. Je onderdrukt je gevoelens. Ik heb sinds mijn moeder overleed misschien één keer gehuild. Je wilt wel, maar je kunt het niet. Nu pas begin ik dingen te voelen. Laatst zag ik weer eens familie terug. En ik ben bij het graf van mijn moeder geweest, had ik jaren niet gedaan. Het deed iets met me. Ik kan het geen naam geven, maar het gaf een lekker gevoel.
Ik zit nu ruim een half jaar bij Samster. Ik ben Assistent. Daar ben ik trots op. Je krijgt meer aanzien in de groep. En je mag ook meer dan de anderen. Een stereo op je kamer, posters ophangen. In het begin heb ik een paar keer een terugval gehad. Dan krijg je zo op je donder van de groep. Iedereen is pissed-off. Dat doet wat met je. Als een volwassene er wat van zegt, dat je bijvoorbeeld liters bier hebt gedronken, terwijl we hier niet drinken, dan denk je: 'Ach, wat jij?' Maar als de jongens zelf er wat van zeggen... dàt komt aan.
Hoe dat later moet in de maatschappij zonder die Samster-maten? Het zal wel lukken. Ik ben nu ouder en heb meer levenservaring. In het verleden heb ik veel gesprekken gehad met hulpverleners. Al deed je er niks mee, die info sla je toch op. Je wilt toch allemaal een goede toekomst? Een paar maanden geleden heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing met een jaar verlengd. Het verbaasde me niet. Ik ben van plan hier de eerste Master te worden.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.