'Overblijfselen' noemt Onno Boekhoudt in de begeleidende catalogus de sieraden uit Halle die momenteel bij Galerie Marzee geëxposeerd worden. 'Overblijfselen', dat klinkt wat oneerbiedig maar Boekhoudt kan het weten want hij was er gastdocent. Het zijn de overblijfselen van een langdurig werkproces, waarin veel wordt afgewezen en weggegooid.
Op de afdeling Schmuck van de Hochschule fur Kunst und Design Halle, Burg Giebichenstein, zijn ze kritisch. Dorothea Pruhl, sinds 1991 hoofd van de afdeling, waarvan de laatste drie jaar als professor, zegt het zo: “Reduceren, reduceren, reduceren, daar gaat het om.”
Uit deze woorden spreekt een toewijding die contrasteert met onze snelle tijd. De tentoonstelling 'Feldversuch' is, in de woorden van Dorothea Pruhl: “Niet meer dan de stand van zaken van dit moment, van de periode 1996 tot 1998, hoe het nu bij ons is. Daarom doen alle zestien studenten, eerstejaars tot en met vijfdejaars, de assistent, de werkplaatsleider en ikzelf mee.”
In Halle lijkt de tijd een beetje stil te staan. De studenten komen daar voor minstens vijf jaar maar langer is ook mogelijk. Dat is voor Nederlanders een studieduur om jaloers op te zijn, bij ons moet iedereen immers in vier jaar afstuderen. Het vakmanschap van de Duitse studenten is hoog want de academie hecht veel waarde aan materiaalbewerking, techniek en het ontstaansproces. Zo zijn er op de tentoonstelling klassieke technieken te zien, zoals inlegwerk, niello en granuleren, die in Nederland nauwelijks meer beoefend worden. Rudolf Kocéa's studies voor 'Regen' zijn niet meer dan een paar rechthoekige plaatjes ingekrast en ingelegd ijzer, intens bewerkt met een schilderachtig resultaat.
Veel sieraden op de tentoonstelling zijn van eenvoudige materialen gemaakt, koper, messing, aluminium, ijzer, maar door de manier waarop ze bewerkt zijn worden ze heel bijzonder. Ze dragen de sporen van eindeloze bewerkingen met gereedschappen en vuur en krijgen daardoor een tijdloos en waardevol karakter. Het is zuivere alchemie en toverkunst wat de studenten in Burg Giebichenstein beoefenen.
Imke Jorns 'Schoudersieraad' met de wonderlijke kommetjes heeft een prachtig hemelsblauw patina en een subtiele textuur. Het blijkt gemaakt van aluminium, een industrieel materiaal dat in het sieradenvak vaak glad en hoogglanzend toegepast wordt. Op deze manier bewerkt krijgt het onedele materiaal een hoge status. Bij Marzee zijn meer van dit soort staaltjes toverkunst te zien.
VLAAMS SIERKABINET
De Vlaamse Hilde De Decker, die terzelfder tijd exposeert in Marzee, heeft zo haar eigen ideeën over kunst en ambacht. De Decker liet 60 m2 geweven tapijtjes aan elkaar stikken, die van plafond tot vloer in de acht meter hoge glazen zaal, bij de entree, kwamen te hangen. Zo creëerde zij een Vlaams sierkabinet met een schoorsteenmantel van enorme afmetingen, waarop een uitstalling van zilveren dekschalen, sauskommen, ajour schotels, terrines, sierkannen en 'postuurkes' (beeldjes) kwam te staan. Hoewel, zilver? Bij nader inzien blijkt de kijker bedrogen, want deze uitbundige vormen, sommige met barsten en doorschemerende bloemendecoraties, zijn van keramiek en bedekt met een laagje zilver(luster). Zo maakte Hilde De Decker, die als edelsmid recent nog een collectie zilveren manden voor de Italiaanse designer Andrea Branzi uitvoerde, zilveren voorwerpen die qua vormgeving bijna niet te maken zijn in dat materiaal. De Decker speelt een virtuoos spel van echt en nep. “Alleen de wafels zijn nep”, zo verklaarde zij, en inderdaad de wafels zijn nagegoten in zilver. De rest is echt, échte gebruiksvoorwerpen en échte souvenirs uit Vlaanderen, computergestuurd geweven, 100% wol of katoen, Made in Belgium, Dry Clean Only.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.