De trotse, voetbalgekke walvisvangers op de Faeríer-eilanden voelen er veel voor het moederland Denemarken vaarwel te zeggen. Als het waar is dat de Faeríer eigenaar zijn van een omvangrijke olievoorraad, wordt de zelfstandigheid nog betaalbaar ook.
Loom koestert een groepje schapen zich in de nazomerzon op de groene heuvels die de Faeríer kenmerken. Overal gras. Ook veel huizen zijn bedekt met gras. “Dat is een overblijfsel van vroeger eeuwen toen onze voorvaderen zich moesten verschuilen voor plunderende piraten”, vertelt een Faeríerse man in klederdracht. “Als het gras moet worden gemaaid, zetten we een schaap op het dak.”
De sporen van de piraten zijn nog altijd zichtbaar op de Faeríer, de 'Schapeneilanden'. Aan de haven van de hoofdstad Tórshavn staat een man Faeríerse zeemansliederen te zingen. Met zijn zwarte krullen en donkere ogen valt hij op tussen de overwegend blonde bevolking. Op de vraag of hij een afstammeling is van de piraten lacht hij en zingt verder. Iedereen op de Faeríer weet dat op de zuidelijke eilanden de bevolking donkerder is dan de rest. Piraten kwamen uit het zuiden en vestigden zich het eerst op deze eilanden.
Vissers varen met hun bootjes over de helderblauwe fjorden onder een stralende zon, wat een zeldzaamheid mag heten in een streek waar 280 dagen per jaar regent. Op de smalle kuststrook ligt een voetbalveld. De eilandbewoners zijn gek op voetbal, wat een raadsel mag heten in een heuvellandschap waar nauwelijks een vlak stuk grond ter grootte van een voetbalveld te vinden is.
De achttien eilandjes die deel uitmaken van de Faeríer werden op 21 december 1988 geteisterd door de ergste storm van deze eeuw. Het enige bos dat de eilandengroep rijk was, werd door de storm volledig weggevaagd. Na de ontworteling van de bomen volgde de ontworteling van de hele Faeríerse samenleving. De eilandengroep raakte economisch in een diepe crisis. Veel godvruchtige eilandbewoners zien de storm van 1988 nog altijd als een teken Gods.
De verhouding met moederland Denemarken is al sinds mensenheugenis onderwerp van debat op de eilanden, maar de onafhankelijkheidswens is versterkt door de economische crisis die de Faeríer doormaakten. De Faeríerse bevolking voelde zich in de steek gelaten door de Denen. Begin dit jaar behaalden de partijen die zich willen afscheiden tijdens de verkiezingen een historische overwinning.
“Onze mentaliteit is anders dan die van de Denen”, zegt de schipper van een houten schoener die toeristen door het sprookjesachtige landschap vol bergen, kliffen en grotten zeilt. “Dit is een kleine samenleving die niet te vergelijken is met die in Denemarken”, vertelt hij in vloeiend Deens, een taal die alle eilanders op school leren. “De zee bepaalt hier het hele leven. We staan veel dichter bij de natuur dan de Denen.
Wat de Denen bijvoorbeeld nooit zullen begrijpen, zegt de schipper, is de walvisvangst, die nog altijd een centrale plaats inneemt in de cultuur op de Faeríer."
VERVOLG OP PAGINA 2
EILAND OP DRIFT
VERVOLG VAN PAGINA 1
“Van oudsher wordt op de eilandgroep jacht gemaakt op de griend, een circa vijf meter lange walvis, die te klein is om onder het verbod op de walvisvangst te vallen. In vroeger eeuwen waren de Faeríer vaak voor lange tijd van de buitenwereld afgesloten en door de vulkanische bodem op de eilanden groeit er niet veel meer dan gras voor de 70 000 schapen. Om toch aan de nodige vitaminen te komen is er altijd op walvissen gejaagd. Ook nu vormt walvis, naast schapenvlees, nog altijd een essentieel bestanddeel van het traditionele menu op de Faeríer. Walvisvlees in de supermarkt is hier de gewoonste zaak van de wereld.
Als er op de eilandengroep al iemand tegen de walvisvangst is, dan houdt hij wijselijk zijn mond, want iedereen weet dat Faeríer zonder walvisvangst ondenkbaar is. Op de eilanden wordt niet alleen veel walvis gegeten, de vangst is ook een sociale gebeurtenis. Tientallen mannen (vrouwen kijken toe) drijven een school walvissen die onder de kust zwemt met kleine bootjes naar het strand, waarna andere mannen in het ondiepe water een omtrekkende beweging maken en met scherpe messen de beesten in korte tijd afmaken. Honderden walvissen soms, wier bloed de zee rood kleurt.
De eilandbewoners herinneren zich lachend de milieuorganisatie die ooit een protestactie begon tegen de slacht. “Het duurde niet lang voor het actieschip op de vlucht werd gejaagd”, grinnikt een afgevaardigde van het lokale verbond van walvisjagers. “De oceaan telt honderdduizenden grienden. Ze worden dus niet in hun bestaan bedreigd”, zegt de walvisjager. “Bovendien is het walvisvlees voor eigen gebruik. Het is een deel van onze cultuur. Iedereen die aan de vangst meedoet krijgt zijn deel en ook scholen krijgen een portie.
Niet alleen de walvis bindt de Faeríerse bevolking. Naast de eigen taal, die nog het meest lijkt op het IJslands, heeft de eilandengroep ook een eigen universiteit waar een beperkt aantal vakken, waaronder Faeríerse cultuur, wordt gedoceerd. De eigen luchtvaartmaatschappij bezit één vliegtuig, dat in tegenstelling tot de Deense concurrent doorgaans vol zit; de lokale bevolking koestert de eigen 'nationale' trots.
Die Schapeneilandtrots sterkt de politici in hun wil zich tegen moederland Denemarken af te zetten. “De afgelopen jaren hebben bewezen dat onze band met Denemarken ons niet kan beschermen tegen een economische crisis”, zegt Hígni Hoydal van de republikeinse partij op de Faeríer. “Het wordt tijd dat we een eind maken aan de meester-slaaf verhouding.”
In het centrum van Tórshavn staat het houten parlement (met grasdak) van de Faeríer. Hier overleggen de 31 parlementariërs over de vraag hoe het verder moet. Een meerderheid van de politieke partijen preekt de onafhankelijkheid, maar er is onenigheid over de manier waarop die moet worden bereikt. Volgens opiniepeilingen is een grote meerderheid van de bevolking voor meer onafhankelijkheid, maar niet te rigoreus.
“Mensen willen uit trots onafhankelijk worden”, zegt de eigenaar van een scheepswerf. “Het is niet goed om van moeder afhankelijk te blijven, maar opgroeien gaat niet van de ene op de andere dag. We moeten wel zeker zijn dat onze Europese levensstandaard gehandhaafd blijft, anders trekken de jongere generaties weg.”
Om de kiezers niet van zich te vervreemden willen de zelfstandigheidspartijen de Deense financiële hulp niet in een keer stopzetten, maar over een periode van zo'n tien, vijftien jaar afbouwen. Uiterlijk in 2000 moet er een referendum worden uitgeschreven waarin de bevolking zich kan uitspreken over de toekomst van het land. De Deense regering heeft zich tot nu toe steeds neutraal opgesteld tegenover de onafhankelijkheidsplannen.
De Faeríerse parlementariër Alfred Olsen is fel tegen het onafhankelijkheidsstreven van de huidige regering. Zijn Uniepartij vertegenwoordigt traditioneel de kiezers die de eenheid met Denemarken willen behouden. “Onze banden met Denemarken zijn na zeven eeuwen samenwerking erg sterk. Cultureel zijn er veel overeenkomsten. Er zijn veel mensen van de Faeríer die in Denemarken wonen en omgekeerd. Gemengde huwelijken komen vaak voor. Ik ben bang dat die onderlinge relatie minder hecht wordt als we zelfstandig zijn.” Bovendien, zegt Olsen, is er het Deense geld: “Met het geld dat elk jaar uit Kopenhagen komt betalen we de ziekenzorg, scholing en politie. Het is een mooi idee om zelf beslissingen te willen nemen, maar ik vraag me af of het financieel ook kan.”
Het geldprobleem zou zijn opgelost als het vermoeden juist is dat de Faeríer eigenaar zijn van een gigantische olievoorraad. Die zou zich bevinden onder de zeebodem ten zuid-westen van de eilandengroep. Er is nog onenigheid met Groot-Brittanië over de eigendom van deze gronden. De vermoedde vindplaats ligt in de viswateren van de Faeríer, maar volgens de Britten is de zeebodem ter plekke van hen. Hoewel er nog geen druppel is gevonden, krijgt menigeen op de Faeríer rode konen als het woord olie valt. Met een grote oliebron wordt de zelfstandigheid in één klap betaalbaar. Niet alleen de eilandbewoners raken opgewonden van dit idee. Dat doen ook de oliemaatschappijen die in de rij staan om de rijkdommen van de Faeríer te exploiteren.
“De bewoners van de Faeríer kunnen allemaal miljonair worden”, zegt directeur Terje Hagevang van de Noorse oliemaatschappij Saga Petroleum. Het bedrijf heeft alvast een eigen kantoor geopend op de Faeríer. Naast Saga zijn er echter nog 23 grote oliemaatschappijen die hun oog hebben laten vallen op de eilandengroep. “Iedereen is in een race verwikkeld om de contracten in de wacht te slepen die door de Faeríerse regering te vergeven zijn”, stelt Hagevang vast. De Faeríer worden sinds kort overspoeld met cadeautjes uitdelende oliebazen. De muziekschool kreeg laatst nog een partij violen cadeau van een oliemaatschappij. Niet iedereen staat echter te juichen bij het vooruitzicht van een toekomstige olieweelde. “Jaren geleden is er hier voor het laatst een bankoverval geweest”, vertelt de eigenaresse van het enige café dat Tórshavn rijk is. “Na twee dagen gaven de daders zich over omdat ze de eilanden niet af konden. Criminaliteit hebben we hier nauwelijks. Veel mensen zijn bang dat dat zal veranderen als er een intocht komt van buitenlandse oliewerknemers.”
Ver weg van de hoofdstad Tórshavn en alle debatten over hoe de Faeríer in de toekomst meer geld kunnen verdienen om zelfstandig te worden ligt het dorpje Gjógv op het eiland Eysturoy. Het plaatsje ligt op het eind van een weggetje, verscholen tussen de hoge groene heuvels. Lichtblauwgeverfde visserbootjes komen binnen met de vangst van vandaag. Achter dit idyllische plaatje schuilt een kleine tragedie. Net als in veel andere kleine dorpjes op de Faeríer staat een groot deel van de huizen leeg, nadat de jongeren tijdens de economische crisis weg zijn getrokken. Alleen de ouderen bleven achter. “Er woont hier nog één jongetje van 10 jaar”, vertelt een oude vissers die zijn net gevangen vis op de kade zit schoon te maken. “De kippen zijn de enige speelkameraadjes die hij heeft. We verwachten niet dat hij later erg slim wordt”, glimlacht hij wrang.
“Die verhalen over zelfstandigheid zijn de droombeelden van de mensen in de grote stad”, meent de visser. Met 'grote stad' wordt op de Faeríer de 15 000 inwoners tellende hoofdstad Tórshavn bedoeld. “Daar zijn ze hoog opgeleid en hebben ze het goed”, weet de visser. “Maar ze beseffen niet dat we het met 44 000 mensen in economisch mindere tijden niet redden. Door de band met Denemarken weten we tenminste zeker dat onze pensioenen altijd worden uitbetaald.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.