*

 
dossier

Archief

Trainers die willen afknijpen, zijn van een uitstervende generatie

FRED BUDDENBERG − 03/01/98, 00:00

Jos Geijsel (52) komt uit de wereld van de duursporten, met name de triathlon en het marathonschaatsen. In 1988 werd hij door de toenmalige bondscoach Hans Jorritsma gevraagd zijn kennis te projecteren op de nationale hockeyploeg. Vier jaar later gingen zijn ogen open. “Het mannen- en vrouwenteam gingen met een uitstekende fitheid naar de Olympische Spelen van Barcelona, maar presteerden daar heel zwak”, herinnert Geijsel zich. “Dat heeft mij geleerd, samen met de kennis uit wetenschappelijk onderzoek, dat het traditionele looppatroon kennelijk niet zo effectief werkte voor hockeyers.”

Na die ervaring dook Geijsel in de boeken. Uit Duitse, Scandinavische en Britse wetenschappelijke publicaties filterde de inspanningsfysioloog uit het landelijke Noord-Hollandse Ouderkerk aan de Amstel dat duurtrainingen geen goede uitwerking hadden op de fysieke conditie van spelsporters. Een omslag in het traditionele denken over conditietrainingen diende zich aan. “Uit spiervezelonderzoek bleek dat duurtrainingen, het maken van kilometers, je trager maakt”, zegt Geijsel. De oerterm 'hardlopen troef' ging langzaam maar zeker op de helling. “Bij voetballers en hockeyers gaat het juist om de acties op de eerste meters.”

Ook in de praktijk, bijvoorbeeld bij marathonschaatsers, die veel trainingsuren in de week maken, werd dat beeld bevestigd. “Zij zijn in staat een uur lang heel hard een baan rond te rijden”, vertelt Geijsel, wiens werk bij de marathonschaatsers vorig jaar werd overgenomen door oud-kernploeglid Frits Schalij. “Maar als ze uit stilstand moeten starten tegen een verenigingsschaatser die twee keer in de week traint, dan worden ze op de eerste meters altijd geklopt.” Conclusie: duurtrainingen tasten de explosiviteit aan, funest voor sporters die het juist van een hoge handelingssnelheid moeten hebben.

Aan de hand van die gegevens en eigen onderzoek, ontleende Geijsel aan de shuttle-run nieuwe trainingsmethoden om sprintsnelheid en uithoudingsvermogen te vergroten. De shuttle-run, gecombineerd met hartslagmeting, is een van de uithoudingstesten waarbij sporters gedurende een aantal minuten op tachtig procent van hun vermogen tussen twee punten heen en weer sprinten. “Dat is toch de aard van het spel”, verklaart Geijsel, die verbaast is dat de visie zo lang verborgen is geweest. “Het onderzoek waarop ik mijn visie heb gebaseerd, is twintig, dertig jaar geleden gedaan. De vertaling naar de praktijk heeft heel lang op zich laten wachten. Omdat ik toen in de duursporten zat is het ook langs mij heen gegaan.”

Het gelijk van de nieuwe inzichten kreeg Geijsel in 1996 bij de Olympische Spelen van Atlanta, waar de hockeyers, volleyballers en roeiers mede op basis van zijn kennis en inbreng gouden medailles behaalden. De waardering kwam van de sporters, blij als zij waren verlost te zijn van de vele kilometers die zij moesten maken. “Ron Zwerver vertelde mij drie jaar geleden eens dat hij op gevoelsargumenten al dacht dat die rondjes rond de Bosbaan niet goed waren. Hij deed het omdat de trainer het zei, maar hij was blij en opgelucht dat et ook op een andere manier, veel doelgerichter en specifieker, kon. Het is als bij een stucadoor; die voelt aan zijn bewegingen wat een goede slag is.”

In 1992 kwam Geijsel voor het eerst in contact met de voetbalsport. Via Louis van Gaal, een oud-studiegenoot op de Amsterdamse Academie voor lichamelijke opvoeding, kwam hij bij Ajax binnen als extern adviseur op het gebied van conditie-trainingen. Hij trof in De Meer het traditionele patroon aan: lopen, lopen en nog eens lopen. “Ook Louis had op cursussen geleerd hoe er op conditiegebied getraind moest worden en hij kopieerde dat. Zij liepen in het begin van het seizoen kilometers door het Amsterdamse Bos. Na een duurloop van vijf of tien kilometer voelt iedereen zich bek-af en omdat je bek-af bent denk je dat je het goed hebt gedaan. Het geeft echter een averechts effect op de spiervezels.”

“Er wordt nog heel veel traditioneel getraind”, vervolgt Geijsel. “Men doet het na van andere generaties. Dat komt omdat trainers opgeleid zijn via bondscursussen en dat zijn kookboek-cursussen: voordoen en nadoen. Je hebt een bredere opleiding nodig om nieuwe inzichten van de wetenschap te kunnen integreren. Daar hebben trainers vaak de tijd niet voor. Ze vinden het wel belangrijk, maar ze hebben vaak andere prioriteiren. Een trainer wil handvatten via zo'n cursus aangereikt krijgen. De cursussen en veel docenten op die cursussen zijn niet met de tijd meegegaan. Ik hoor soms dingen waarvan ik denk: zo was het twintig jaar terug ook al.”

De 'Geijsel-visie' zorgde in de voetballerij voor een cultuuromslag op conditioneel gebied. Ook de opvolger van Van Gaal bij Ajax, de Deen Morten Olsen, opgeleid aan de Sporthogeschool in Duitsland, was onbekend met de nieuwe inzichten. “Hij heeft in Duitsland zijn trainersdiploma's gehaald, maar ook met het universele concept. Als er naar conditie wordt gekeken, wordt er altijd een atletiektrainer van stal gehaald. In het verleden had je bijvoorbeeld bij het schaatsen Ben Holleboom en Henk Gemser, dat zijn hardlopers van huis uit. In het hockey had je Kees Koppelaar en bij het volleybal hadden ze Sjouk Tel als hardlooptrainer.”

Lange-afstandslopen is niet de oorsprong van iedere vorm van conditie. Onderzoeken hebben aangetoond dat conditie juist bijzonder specifiek is, voor alle sporten weer anders. En voor spelsporten heel wezenlijk anders dan voor duursporten. De zienswijze van Geijsel kwam een jaar geleden via Hans Jorritsma terecht bij Guus Hiddink. De bondscoach wilde de methode integreren in de voorbereiding van het Nederlands elftal op het WK van komende zomer in Frankrijk. Tweemaal onderwierp Geijsel de spelers van Oranje aan zijn shuttle-run-testen met hartslagmeters, in maart voor het EK-kwalificatieduel tegen San Marino en in oktober voor de wedstrijd tegen Turkije. De derde test volgt in februari, tijdens het trainingskamp in Florida.

“Het doel is om uitgangswaarden te verzamelen van hoe de conditie midden in het seizoen is”, zegt Geijsel, die tijdens het wereldkampioenschap in Frankrijk assistentie krijgt van Luc van Agt, inspanningsfysioloog in dienst bij PSV. “Dat kan straks als uitgangspunt gebruikt worden in de opbouw naar het WK. Wij testen het uithoudingsvermogen, dat is toch het meest belangrijke fysieke facet voor voetballers. Belangrijk om de meerwaarde van de techniek te kunnen volhouden. Er wordt getest in de zogenaamde 'heen-en-weerloopvorm', de shuttle-run. Daar meten we dan direct de hartslag bij, als maat voor de zwaarte van de inspanning.”

Bij het Nederlands voetbalelftal heeft Geijsel te maken met spelers die in alle hoeken van Europa hun geld verdienen en die onderworpen worden aan Spaanse, Italiaanse, Engelse en Duitse trainingsmethoden. Methoden die vaak afwijken van de 'Geijsel-filosofie'. “Ik ken natuurlijk veel jongens uit de Ajax-school, zoals Bergkamp, Seedorf, Reiziger, Bogarde en Kluivert. Plus dan de Ajacieden zelf. En ook de jongens van PSV zitten, mede door het werk van Van Agt, ook steeds meer op onze toer. Als ik Ed de Goey hoor vertellen hoe er onder Ruud Gullit getraind wordt, dan denk ik, tsja. Maar in Engeland is dat heel anders.”

De trainers met de blik op oneindig, de trainers die zweren bij het afknijpen, bij het kapotgaan, die trainers vormen in de ogen van Geijsel een uitstervende generatie. Hoewel hij nog vaak verhalen hoort van voetballers die, zoals in Engeland, als duuratleten op het seizoen worden voorbereid. “Sunday Oliseh vertelde mij dat hij bij Reggiana de eerste weken de bergen inging en geen bal aanraakte. Ik hoor van Dick van Burik en Sonny Silooy dat er in Duitsland in de voorbereiding nog heel veel aan loopwerk wordt gedaan. En kijk, het Italiaanse en Duitse voetbal staat al jaren aan de top. Er zijn kennelijk meer wegen die naar Rome leiden. Het succes wordt echter juist bepaald door hoe je tijdens het seizoen traint. Het effect van de voorbereiding dooft namelijk uit in het seizoen.”

Een van de redenen waarom Hiddink wel oren had naar de testen en controles van Geijsel, vormde zijn vrees dat een aantal spelers straks opgebrand aan het wereldkampioenschap zou beginnen. Aan de hand van de uitkomsten van de testen is het mogelijk de trainingsstof individueel aan te passen. “Na een week vrij heb je zoveel zin, motivatie en drive om te trainen, dat je snel conditiewinst boekt”, legt Geijsel het begrip 'opgebrand' uit. “Het is moeilijk om dat zes weken vol te houden. Dan krijg je het sleureffect, dat je te veel moet blijven doen om het hoge niveau te handhaven. Dan raak je opgebrand. Daarom moeten we er voor waken dat de voorbereiding heel geleidelijk van start gaat, zodat ze fysiek en mentaal zin hebben om te presteren.”

Een van de problemen waarmee de technische staf van Oranje straks wellicht te maken krijgt, is het feit dat de spelers in de aanloopfase naar het wereldkampioenschap op verschillende momenten bij elkaar komen. De een is op 9 mei klaar, de ander moet op 17 mei nog aan de gang, en weer een ander moet misschien nog in een Europa Cup-finale spelen. Dat gemeleerde gezelschap moet samengevoegd worden. Geijsel: “Bij Ajax hebben we de les geleerd dat je een groep snel kan overbelasten als er mensen met verschillende condities instromen. De jongens die van twee weken stilstand komen, gaan er extra tegenaan en dat kan snel averechts werken. In te korte tijd te veel willen doen leidt tot blessures.”

In het verleden is gebleken dat een perfecte voorbereiding geen enkele garantie vormt voor een perfect resultaat. Dat erkent Geijsel, maar daarom blijft het wel een vereiste naar het beste te streven. “Leo Beenhakker kwam eens met het sterke verhaal dat in 1978 de Argentijnen tijdens het toernooi niet hebben getraind. Nul voorbereiding tijdens het toernooi en toch werden ze wereldkampioen. Ze speelden twee wedstrijden in de week en vonden daar de gretigheid naar de bal. En neem het Deense elftal, dat op het laatste moment werd opgetrommeld en een perfect EK speelde. Een ideale fysieke voorbereiding is natuurlijk mooi, maar als je het technisch vermogen mist, houdt het op. Als een bal van richting wordt veranderd en in het doel gaat, is het over en uit”.

Van voetballers wordt vaak gezegd dat zij 'topsport in de marge' bedrijven. De inspanningen die zij zich voor hun sport moeten getroosten, zouden niet in verhouding staan met de arbeid van bijvoorbeeld wielrenners, atleten en schaatsers. Geijsel bestrijdt die stelling. “Voetballers hebben op een hele andere manier conditie. De mensen willen bloed, zweet en tranen zien, dat spreekt het meeste aan. De charme van voetbal is dat je het daar nu net niet mee redt. Het gaat niet om bloed, zweet en tranen. Je moet slim zijn, technisch, snel, behendig en het coördinatief tactisch vermogen ligt bij voetballers veel hoger dan bij hardlopers of wielrenners.”

De factor rust neemt in de trainingsfilosofie van Geijsel een belangrijke plaats in. Zo krijgen de spelers van Ajax tijdens de winsterstop twee-eneenhalve week vakantie, waarin ze worden aangemoedigd conditiewerk te laten voor wat het is. Conditie bouw je in drie weken weer goed op en rust maakt gretig. Rust, zo zegt Geijsel, “regenereert het lichaam.” Wordt de sport zo niet te wetenschappelijk benaderd, luidt de laatste vraag aan Geijsel. Jack uit, mouwen opgestroopt, kousen omlaag en hollen maar; zo gaat het kennelijk niet meer. “Je moet de vruchten van de wetenschap gebruiken”, zegt Geijsel. “Het zal nooit doorslaggevend worden, de sport wordt nooi een en al wetenschap. Maar je moet de kennis van wetenschap wel integreren.”

mailIcon print |