*

 
dossier

Archief

Gezapige Sibelius, slechte Prokofjev onder Paavo Jürvi

ADRIAAN HAGER − 27/01/96, 00:00

Zondagmiddag geeft Peter Donohoe in de Anton Philipszaal een pianorecital.

Hij (niet te verwarren met Neeme Jürvi) mag dan nog geen topdirigent zijn, van zijn directie ging toch zeker een dwingende kracht uit. Of kan het Residentie Orkest nog slechts maximale prestaties leveren als maestro Svetlanov op de bok staat? Pianist Peter Donohoe, die twee jaar geleden met Brahms een slechte beurt maakte, zocht het in Prokofjevs concert voornamelijk in grimmig spel. Het bleef in het midden of hij de charme van het werk niet verstond of dat hij ongelukkig was met de begeleiding.

De opmaat van het concert ging op naam van het niemendalletje dat Carl Nielsen als ouverture voor zijn komische opera 'Maskarade' schreef.

Geheel andere compositorische koek is de vijfde symfonie van Sibelius. Het is het opus dat de Finse componist meerdere malen bewerkte en dat uiteindelijk tot zijn meest geliefde symfonische vrucht uitgroeide. Op zijn vijftigste verjaardag in 1915 tracteerde hij zichzelf met de première van die symfonie. Het werk wordt wel een 'extatische jubelzang' genoemd, maar die kwalificatie paste bepaald niet bij de wat bleke visie van Jürvi. Sibelius was er op tegen dat zijn symfonieën steeds als gids dienden voor een tocht door 'de eeuwig zingende bossen', hij was van mening dat hij voor dat doel wel symfonische gedichten kon componeren. Ook de vijfde is voor de volle honderd procent abstract, maar de benadering door Jürvi miste in dat opzicht organische samenhang. Niet onder de maat, dat zeker niet; een zeventje.

mailIcon print |