WENEN - De Oostenrijkse consumenten zijn ontevreden: de toetreding tot de Europese Unie bracht niet de prijsverlagingen die hen waren beloofd. De voorgehouden inkoopvoordelen blijven bij het bedrijfsleven hangen. In zakenkringen is men dan ook dik tevreden over de nieuwe status.
Toen de Oostenrijkse bevolking vorig jaar over toetreding tot de Europese Unie mocht stemmen, verbaasde het resultaat vriend en vijand. Maar liefst 65 procent - en niet zoals verwacht een krappe meerderheid - stemde voor de EU. Bijna een jaar later is van die Euro-euforie vrijwel niets meer overgebleven.
Volgens een opiniepeiling die vorige week werd gepubliceerd, zou nu nog maar 39 procent voor toetreding stemmen. Van de ondervraagden gaf 57 procent aan dat de EU hen heeft teleurgesteld. Maar liefst 83 procent van de mensen meent dat zij zelf geen voordeel ondervinden van de toetreding.
Al met al een flinke domper voor de Oostenrijke regering. Brigitte Ederer, de staatssecretaris voor Europese Zaken, houdt de kritiek verre van zich. Volgens haar is de negatieve stemming vooral te wijten aan de gebrekkige informatie.
“Zonder de EU zou Oostenrijk elk jaar een grotere achterstand oplopen . . . Dat argument is echter moeilijk aan de man te brengen.” Volgens een opiniepeiler zou momenteel ook de neiging bestaan om de rol van 'Brussel' te overschatten. “Van het faillissement van de Konsum-supermarkten tot de crisis in de ski-industrie. De mensen wijten alles aan de EU - of het nu klopt of niet.”
In één opzicht is de Oostenrijkse balans van de kosten en de baten inderdaad negatief te noemen. Terwijl Oostenrijk dit jaar 31 miljard schilling (5 miljard gulden) aan het EU-budget bijdraagt, ontvangt het omgekeerd maar 18 miljard aan subsidies.
Wat voor de beeldvorming van de doorsnee burger waarschijnlijk een grote rol speelt, is het feit dat de prijzen voor levensmiddelen lang niet zo sterk gedaald zijn als was voorspeld.
“De mensen bellen op en willen de 1000 schilling hebben die zij volgens Ederer per maand bij het boodschappen doen zouden uitsparen”, vertelt een woordvoerder van de Arbeiterkammer, de belangenvertegenwoordiging van de werknemers.
Inderdaad valt in de Oostenrijkse winkel nog altijd weinig van 'Europese' prijzen te merken. De melkprijs is sinds 1 januari weliswaar met 11 procent gedaald, maar desondanks nog altijd een stuk hoger dan in Duitsland. Bovendien zijn in veel gevallen de prijzen van grondstoffen veel sterker gedaald dan die van de eindprodukten.
Zo is meel de helft goedkoper geworden, maar betalen de consumenten voor hun brood slechts 3 procent minder. Nog extremer is de situatie bij het vlees. Terwijl de prijs voor een geslacht rund met 21 procent is gedaald, verlangen de slagers van hun klanten 3 procent meer voor rundvlees.
Bij andere produkten is zelfs sprake van een formidabele prijsstijging. Babyvoeding is sinds 1 januari 34 procent duurder geworden en tandpasta steeg 55 procent in prijs.
“De Oostenrijkse bevolking beschouwt mij nu als een leugenares”, verzucht Ederer. De oorzaak voor de te hoge prijzen moet volgens de staatsecretaris echter bij de handelsfirma's en de middenstanders gezocht worden. Die zouden hun eigen voordelen namelijk niet aan de klanten doorgeven.
“Wanneer er wat dat betreft niets verandert, zal ik met de betreffende firma's eens een hartig woordje praten. Ondernemingen reageren nu eenmaal het snelste wanneer zij in het openbaar onder druk gezet worden.”
Wanneer dat laatste niet helpt, wil Ederer een verscherping van het kartelrecht bewerkstelligen. In tegenstelling tot de consumenten is de Oostenrijkse zakenwereld trouwens over het algemeen tevreden over de EU.
“Door de geringere transportkosten zijn wij beter in staat met het buitenland de concurreren”, vindt een woordvoerder van BMW-Motoren. Het wegvallen van de grenscontroles zou in doorsnee een prijsvoordeel van 2 tot 3 procent betekenen. De Oostenrijkse dochterfirma van Siemens heeft sinds 1 januari de verantwoordelijkheid voor de markten in Slowakije, Slovenië en Kroatië gekregen en zal net als BMW in de komende jaren flink expanderen.
De bedrijfstak die tot nu toe het meeste geprofiteerd heeft, is de textielindustrie. Gold zij decennia lang als één van de zorgenkinderen van de economie, nu groeit zij in een ijltempo. Behalve voor de individuele producenten geldt dat laatste ook voor de sector in zijn geheel. Alleen al in de deelstaat Vorarlberg hebben zich sinds het begin van dit jaar dertig Zwitserse textielbedrijven met rond de 2 000 arbeidsplaatsen gevestigd.
De toegenomen attractiviteit als industriële vestigingsplaats zou uiteindelijk ook wel eens het belangrijkste voordeel van de EU kunnen blijken. In de tweede helft van 1994 - dus nog vóór de officiële toetreding - is het aantal buitenlandse firma's dat opgericht werd meer dan verdubbeld.
“De buitenlandse investeringen zijn vorig jaar van 11 miljard naar 15 miljard schilling gestegen”, zegt een expert van het economische instituut WIFO.
Desondanks zouden volgens sommigen de voordelen van Oostenrijk als vestigingsplaats nog te weinig bekend zijn. “Wij moeten opboksen tegen onze reputatie als een duur land”, aldus een kledingsfabrikant. Johannes Ditz, de nieuwe minister van economische zaken, heeft voor de komende tijd dan ook een groot marketingoffensief aangekondigd.
Binnenkort zal de EU trouwens een goede gelegenheid hebben om één van de meest ontevreden groepen van zijn nut te overtuigen. “Doordat de melkprijs zo sterk gedaald is, zijn veel boeren onzeker geworden. Wanneer in september de eerste landbouwsubsidies binnenkomen, verwacht ik echter dat de mening zal kenteren”, aldus een landbouwfunctionaris.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.