*

 
dossier

Archief

Symfonie-Schubertiade met hemelse trekjes

FRANZ STRAATMAN − 03/02/97, 00:00

Op radio: Concertgebouworkest 22 febr, 14 u.; Anima Eterna 4 febr. 20 u.

Natuurlijk waren ook de bezettingen van de rest van de strijkorkesten verschillend bij de drie concerten die een symfonische Schubertiade vormden waarvoor je niet naar Wenen hoefde te reizen. Een schitterende trits van uiteenlopende benaderingen door sterke muzikale persoonlijkheden voor optimaal reagerende orkesten.

Stond Harnoncourt voorheen als dirigent gewoon gelijkvloers met zijn musici, nu verhief hij zich op een vijftal vingers hoog podest dat vervaarlijk kraakte onder iedere beweging van zijn gespannen gestiek.

Het viel daardoor extra op hoeveel felle accenten, nerveuze crescendi, scherpe fraseringen hij teweegbracht. Kraak, kraak, deed dan steeds die kist mee. Was het de sfeer van 'des Teufels Lustschloss' die naëchode, de opera van Schubert welke hij enige weken in Zürich dirigeerde?

In ieder geval zat de duivel hem op de hielen om meer drama uit de ouverture 'Die Zauberharfe' te halen dan Schubert in dit oninteressante nummer stopte. Dat met een minder nadrukkelijke uitwerking die niet zo bijster spannende muziek toch aanspreekt, liet Ton Koopman op Schuberts verjaardag horen met het Residentie Orkest in Amsterdam.

De achtste symfonie ('Onvoltooide') was veel beter bestand tegen Harnoncourts dram-matige aanpak. Met het groot bezette Concertgebouworkest zorgde hij voor een indrukwekkende, alhoewel soms te nadrukkelijke weergave. Ton Koopman leek daarentegen in de ban van vertedering nu hij met Schubert omgaat. De vijfde symfonie (snel van aard in alle vier delen) klonk wel licht en juichend (met mooi afgewerkte crescendo's in het eerste deel, zonder lichamelijke druktemakerij aangegeven), maar het zangerige overheerste.

Het tweede deel, andante con moto, werd zelfs naar adagio teruggedraaid; het strijkorkest kon hoorbaar de toonspanning niet opbrengen, en de expressie werd temerig. Het Residentie Orkest had enig vioolsolo-werk Marieke Blankenstijn in het Rondo in A en het Concertstuk in D) ingevlochten als alibi voor het optreden in de serie 'Het Romantisch Vioolconcert', waar Schubert een vreemde eend is; Schubert demonstreert in de concertstukjes instrumentaal belcanto, en dat verwezenlijkte Blankestijn met lichte toon fraai.

Wie voor mij de Schubert-lauweren oogstte? Jos van Immerseel: met zijn Anima Eterna-orkest (tijdeigen instrumentarium) wekte hij zaterdag in de derde symfonie een weelde aan dynamische schakeringen en klankkleuren op; vederlicht gespeelde ritmen, lieftallige melodieën en gedurfd oplopende spanningen verleenden grandeur aan dit weinig gespeelde werk. Maar toen kwam nog de negende, de 'Grote in C'. Himmlisch? Van lengte vond Schumann. Maar ook van expressie, liet Van Immerseel weten en toverde met de hoornisten een openingsthema voor den dag zoals ik nooit eerder meemaakte. Dat zette de toon voor een enerverende reis door landschappen van Mozartiaanse en Beethoveniaanse allure, maar alles in de hemelse kleuring van Schubert. Schumann had gelijk; de efficient en pulserend dirigerende Immerseel en zijn Anima Eterna maakten het waar.

mailIcon print |