Van onze redactie buitenland AMSTERDAM - De moordpartijen in Algerije hebben een optimistisch type mens geschapen. Hoe meer bloed er vloeit, hoe zelfverzekerder Algerijnse leiders beweren dat de problemen in hun land goeddeels zijn opgelost.
Gisteren was het de beurt aan minister van binnenlandse zaken Mustapha Benmansour, in Tunis tijdens een topconferentie met zijn Arabische collega's. “Algerije is in staat geweest om met solide vastbeslotenheid het hoofd te bieden aan de krachten van destructief terrorisme, die hun laatste uren beleven in ons gezegende land”, zo verzekerde hij. Ben Mansour was al op de hoogte van de nieuwste ramp die zijn gezegende land had getroffen: tussen de driehonderd en vierhonderd moorden in drie gehuchten bij het dorp Relizane, in het 'rustige' westen van Algerije. Het drama voltrok zich op 30 december, maar drong pas zaterdag door tot de buitenwereld.
De Arabische ministers besloten in Tunis om de terreur harder aan te pakken. Zo zullen ze voortaan elkaars terroristen vlotter dan voorheen uitleveren. Dat gebeurt vooral op verzoek van Algerije en Egypte, de twee landen die het meeste hebben te lijden onder terreur. Vanuit Parijs kreeg Algerije nog een ander advies, ook ter bestrijding van terreur: zet vaart achter de democratisering. Maar Algerije is niet dol op adviezen van de voormalige kolonisator. Ook de oproep van de Duitse minister van buitenlandse zaken, om EU-topambtenaren zich te laten buigen over de Algerijnse narigheid, hoeft op weinig bijval uit Algiers te rekenen.
Bij de Algerijnse terreur blijft er veel gelijk maar er verandert ook een aantal zaken. Gelijk blijven, behalve het ziekelijke optimisme van 's lands leiding, de ellendige verhalen over moordenaars en messen, over het lakse leger en de ontvoering van meisjes die gedwongen worden een tijdelijk 'genotshuwelijk' te sluiten en later terug worden gevonden, vaak op de bodem van een put.
Gelijk blijft ook de klamme angst tijdens de vastenmaand Ramadan. In de moslimtraditie geldt Ramadan als de maand van de overwinningen. De terroristen in Algerije putten uit de heilige maand inspiratie om nog meer te moorden dan normaal. Vorig jaar was vooral de hoofdstad Algiers het mikpunt, met tal van bomaanslagen, bedoeld om zoveel mogelijk burgers te vermoorden.
Deze keer, en dat is een breuk met het verleden, is het westen van het land het slachtoffer. Tot nu toe was het daar betrekkelijk rustig. De terroristen richtten hun bloedbaden de afgelopen jaren vooral aan in de Metidjavlakte, een vruchtbaar en rijk landbouwgebied rondom de hoofdstad Algiers.
Dat gaf extra-voedsel aan complottheorieën als zou het leger zelf betrokken zijn bij moordpartijen. Algerije is bezig met de privatisering van landbouwgrond, die na het vertrek van de Fransen in 1962 is genationaliseerd. Allerlei belangengroepen, zoals de oudstrijders van de onafhankelijkheidsoorlog en hun nakomelingen, proberen hun slag te slaan, ten koste van de boeren. De beoogde privatisering betreffen voor 80 procent het Metidjagebied. Vandaar, zo ging de redenering verder, dat de moorden vooral daar gepleegd werden. De bloedbaden dienden ertoe om grond vrij te maken. Bewijzen voor die theorie zijn er ook in het Metidjagebied niet. Maar in het westen van Algerije, waar de privatisering veel minder omvangrijk is, verliest dit complotdenken vrijwel al zijn waarde. En juist daar stroomt nu het bloed.
Het leger geeft de inwoners van gehuchten in het westen van het land na het laatste bloedbad voor de keus geplaatst: of ze vormen, onder toezicht van het leger, gewapende 'zelfverdedigingsgroepen', of ze verhuizen naar grotere dorpen, die beter verdedigbaar zijn.
In het verleden kozen velen voor de eerste mogelijkheid. De 'zelfverdedigingsgroepen' schijnen bij elkaar al meer mensen op de been te kunnen brengen dan het leger en de politie. Maar gisteren overheerste in het rampgebied bij de overlevenden toch een reactie, die vloekt met het zonnige optimisme van hoogwaardigheidsbekleders: “We gaan hier weg en we komen hier nooit terug!”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.