KELDONK - Vanuit het keukenraam van varkenshouder Piet van den Tillaer is achter de geelgroene weilanden de weg langs de Zuidwillemsvaart te zien. Dat is de grens. “Amper honderdvijftig meter verderop.”
Van den Tillaer heeft een varkensbedrijf in het Brabantse Keldonk, een dorp van amper 1100 inwoners. Het ligt precies op de rand van het gebied waarbinnen het vervoersverbod voor varkens nu geldt. De laatste nachten heeft hij “verdomd slecht” geslapen, erkent de boer. “Ze noemen mij een harde. Maar als hier de pest uitbreekt of dicht in de buurt, ga ik janken. Helemaal opnieuw zou ik moeten beginnen. Ik moet er niet aan denken.”
Negentien jaar hebben hij en zijn vrouw Leny gewerkt om vanaf de grond een middelgroot bedrijf op te bouwen. In de vier enorme stallen, een paar kilometer buiten de kleine dorpskern, staan nu 1400 mestvarkens en 313 zeugen met dik 800 biggen. En alsof het nog niet genoeg is: de plannen voor nog een extra schuur liggen al klaar. “Alleen de grote boeren zullen overleven”, is zijn stellige overtuiging.
Maar voor het zo ver is, moet deze crisis worden overleefd. Aan de keukentafel betonen Van den Tillaer en zijn vrouw zich zorgelijk. “Vorig jaar ging het voor het eerst sinds tijden weer eens goed met de varkenshandel. De jaren daarvoor waren ontzettend beroerd. Klimmen we net uit het dal, krijgen we dit.”
Erg veel moeite zou het niet kosten om ongezien een deel van de beesten af te voeren: er loopt een pad van de schuur naar het kanaal. Natuurlijk kan hij zondigen tegen het verbod, zegt hij. “Maar dat haal je niet in je hoofd.” De verhalen over boeren die 's nachts stiekem hun varkens uit het gebied halen, ziek wordt hij ervan. “Door die mensen verliezen de boeren hun goodwill. Polen heeft de grenzen al dichtgegooid, hoorde ik. Daar zullen ze denken: als die boeren daar niet luisteren, dan hoeven wij dat vlees niet meer. Bovendien brengen ze collega's in groot gevaar. De mannen die nu met vee gaan rijden, die moesten ze oppakken.”
Gisteren heeft hij tot kwart voor twaalf 's nachts aan de telefoon gehangen met collega's van wie het bedrijf 'geruimd' moest worden. Uit warm menselijke belangstelling, natuurlijk. Maar ook om aan informatie te komen. “Ik krijg mijn fokmateriaal precies uit het gebied waar de pest is gevonden. Afgelopen maandag heb ik de laatste beesten binengekregen. Ik hou mijn hart vast.”
Deze dagen zit Van den Tillaer bijna continu in de varkenshokken. De donkerblauwe overall en de groene laarzen gaan nauwelijks uit. “Dat de varkens hoesten, alla, daar schrik ik niet van. Maar zo gauw ze diarree krijgen, bel ik de dierenarts. Diarree, geen eetlust, dat zijn de symptomen. Je kunt het niet maken tegenover de bedrijven hier in de buurt om risico's te nemen. Als mijn bedrijf getroffen wordt, gaan zij er ook aan. En andersom.”
Hij noemt zichzelf “een van die gekke boeren die tijdens een feestje nog even naar huis rijden om te zien of alles wel goed gaat met de beesten”. Vooral aan de zeugen is hij gehecht. “Die beesten heb je drie, vier jaar. Het klinkt misschien gek, maar ze worden je dierbaar.” Er zijn boeren die hun bedrijf runnen alsof het een kantoor is; om vijf uur gaat de knip erop. “Maar zo iemand ben ik niet.”
Het is de onzekerheid die slopend is, zegt zijn vrouw. Toen ze gisteren de kinderen uit school haalde, vertelde een van de moeders van de andere kinderen, dat ook bedrijven in Erp en St. Oedenrode verdacht worden van besmetting. “Of het waar is, weet je niet. Maar je krijgt de zenuwen van zulke verhalen.”
Aan de carnavalswagen in de schuur moet nog de laatste hand worden gelegd. Hij is trots op de perfecte imitatie van de Flintstone-auto die hij en z'n buren hebben gebouwd. Maar eigenlijk hoeft die hele carnaval voor hem dit jaar niet. “Ik heb wel iets anders aan m'n kop. Maar ja, we hebben ook vier kinderen. En die zijn door deze ellende ook wel weer eens toe aan iets gezelligs.”
- Meer nieuws op pagina 7:
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.