Mede naar aanleiding van het onderzoek 'God in Nederland 1966-1996' wordt in Trouw veel aandacht besteed aan de rol van de kerken in de Nederlandse samenleving. Volgens dit onderzoek hebben de kerken immers een zekere goodwill bij veel Nederlanders. Hoewel de kerken dit gegeven mijns inziens wat al te gretig naar zich toe halen - het is immers echt niet zo dat de Nederlandse bevolking nu ineens smachtend uitziet naar richtlijnen van de kerken - liggen hier voor de kerken wel mogelijkheden.
Het is dan ook een goede zaak wanneer de kerken hier positief op reageren. Zo meldde Trouw van 31 december 1997 dat de Samen-op-Weg kerken het plan hebben “een functionaris aan te stellen die ervoor zorgt dat de kerk alerter en adequater kan reageren op wat er in de maatschappij leeft.” De kerk wil, met het oog op haar plaats in de maatschappij, “iemand vrijstellen, die als antenne fungeert.”
Ziehier, zo was mijn eerste indruk, een positieve reactie op de gebrekkige relatie tussen de kerken en de samenleving. Maar bij het nadenken over dit bericht begon ik mij sterk af te vragen of dit nu wel de meest adequate reactie is.
Ik schrok van de enorme kloof tussen kerk en samenleving die uit zo'n voorstel blijkt. De Samen-op-Weg kerken beschikken immers over honderden functionarissen die in de nieuwe organisatie hun plaats en taak toegewezen krijgen. Zijn al die functionarissen dan zo theologisch in de enge zin des woords en/of binnenkerkelijk bezig dat zij niet weten “wat er in de maatschappij leeft”? Zijn de mensen die zich met het werelddiaconaat en de ontwikkelingssamenwerking bezighouden niet op de hoogte? Zijn de mensen van het binnenlands diaconaat en zij die zich speciaal met het bedrijfsleven bezighouden onvoldoende deskundig met betrekking tot het sociaal-economisch leven in Nederland? En zijn de functionarissen die gespecialiseerd zijn in pastorale vragen onvoldoende bekend met de problemen die het samenleven van mensen met zich mee brengen? Zijn de kerken met hun functionarissen zó vervreemd van het leven buiten de kerkmuren dat een afzonderlijke functionaris hen daar attent op moet maken? Een bevestigend antwoord op deze vragen zou een testimonium paupertatis zijn. Het heeft er op z'n minst de schijn van dat de kerken met dit voorstel een soortgelijke getuigenis van zichzelf afgeven.
Nu kan men (met een zeker recht) volhouden dat het heel goed is wanneer er naast of achter de functionarissen die zich dagelijks met bepaalde vraagstukken bezighouden, personen of instanties zijn die aandacht vragen voor de lange-termijn-ontwikkelingen of de achtergronden ervan in de samenleving. Maar is één persoon in staat om het geheel van onze gecompliceerde samenleving te overzien? De kerken hebben diverse instituten of organen (zoals sommige secties van de Raad van Kerken, het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving en DISK) die weet hebben van de weerbarstigheid van samenlevingsproblemen. Zou het niet beter zijn om dergelijke organen, die thans vanwege gebrek aan menskracht soms moeite hebben goed te functioneren, te versterken?
Er is reeds zoveel deskundigheid in de kerk zelf aanwezig, aan de 'basis'. De in deze krant verslagen interviews met mensen als Kalsbeek en Goldschmeding hebben ons in dit opzicht wel wat te zeggen. Het kerkelijk leven is alleen niet zodanig ingericht dat die deskundigheid 'gebruikt' wordt. De kerk heeft onvoldoende oor en oog voor de problemen van de samenleving, die bij haar eigen leden aanwezig zijn.
Binnen de kerk zelf loopt er dus een grote kloof tussen het kerk-zijn in de enge zin des woords en de samenleving. Zouden we niet wat meer moeten trachten de in de kerk aanwezige samenlevingsdeskundigheid te mobiliseren, om zo de relatie tussen kerk en samenleving en ten diepste tussen evangelie en (samen)leven te versterken?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.