*

 
dossier

Archief

Oudste kloostergemeenschap durft grote nieuwbouw aan

Door: redactie − 10/01/98, 00:00

Van een onzer verslaggevers HEESWIJK - Nieuwbouw plus een verbouwing: de norbertijnen van 's lands oudste kloostergemeenschap, de Abdij van Berne te Heeswijk, gaan negen miljoen gulden investeren in nieuwe huisvesting voor zichzelf. In deze tijd zoiets ongewoons dat de broeders zich uitdrukkelijk voor vriend en vreemde willen verantwoorden.

Kloosters in Nederland kwijnen weg, staan leeg, gaan dicht of tegen de vlakte, worden vormingsinstituten, komen in handen van bloeiende sekten. Na jaren dubben heeft de gemeenschap van Berne besloten tot wat zij zelf ziet als een daad van geloof in haar toekomst.

De norbertijnen delen in de malaise van het Nederlandse kloosterleven: vergrijzing en geringe aanwas. Ooit barstte de abdij met 220 leden uit haar voegen, nu zijn er in Nederland nog zo'n 75 norbertijnen, voor de helft 65+. In 'Berne' wonen er veertig, van wie een tiental onder de vijftig; sinds 1988 is er elk jaar wel iemand bijgekomen. Een kleine, maar vitale basis, vindt Baeten. Hij en de plannen gaan ervanuit dat de communiteit in Heeswijk nog lange tijd zo'n 35 man zal tellen.

Er moest wat gebeuren. De gebouwen in Heeswijk voldoen allang absoluut niet meer aan de veiligheidsnormen van de brandweer voor dit soort 'grote huishoudens'. Maar er komt nog iets bij. Sinds het aantreden van bisschop J. ter Schure in Den Bosch in 1985 is de Abdij van Berne onder aanvoering van haar 68-ste abt, drs. Ton Baeten, een 'vrijplaats' voor katholieke en anderszins meer en minder gelovigen op zoek naar zin, diepte, God. Baeten werd voor velen in zekere zin een soort alternatieve Acht-meibisschop. Hij heeft er indertijd zijn prominente plaats in het centrale bestel van de r.-k. kerkprovincie mee verspeeld, maar bouwde in Heeswijk verder aan zijn droom van “een open, uitnodigende kerkgemeenschap, waar de houding van het hart voorop staat, niet de voorschriften en de wetten.”

Baetens abdij zit altijd vol gasten, die voor kortere of langere tijd het religieuze leven in dit stukje Brabants platteland willen delen. Gastvrijheid, werk en pastoraat lopen langzamerhand zo door het abdijleven heen dat de stilte en privacy voor de broeders tekort komen.

De norbertijnen zijn ervan overtuigd dat hun model van kloosterleven vitaal en aantrekkelijk genoeg is. Eeuwenlang was Berne levensvatbaar met een numerus clausus van twintig broeders; de toekomst van het kloosterleven wordt gezien als een kleine kerngemeenschap met daaromheen een kring van mensen die op verschillend niveau meedoen: gehuwden, niet-katholieken, 'kortverbanders'.

De plannen voorzien in afbraak van de vleugel uit 1927, nieuwbouw van een carré, van twee verdiepingen rond een patio, met daaronder een souterrain voor de bibliotheek, en ten slotte ingrijpende verbouw van het 19de-eeuwse tussenstuk. Over ruim twee jaar moet het klaar zijn.

De paters hebben uit de laatste jaren een potje te verteren van drie miljoen uit eigen middelen; kapitaalkrachtig is deze typische orde van pastoors en zonen van kleine Brabantse boeren nooit geweest. Ze hebben echter de beheerders van een gezamenlijk fonds van alle kloosterorden in Nederland kunnen overtuigen met hun plannen; deze zogeheten 'Commissie onderlinge solidariteit' is fors bijgesprongen. Voor het nu nog resterende gat van anderhalf miljoen rekent men op particulieren en bedrijven. Het is de bedoeling dat de kosten op geen enkele manier het pastorale werk nu of de toekomstige generatie zullen belasten.

De geschiedenis van de Abdij van Berne (bij Heusden) gaat terug tot 1134, maar de vestiging in Heeswijk-Dinther slechts tot 1857. Maar ze zijn al zo aan deze plek verknocht dat 'verhuizen', weg van Heeswijk, vloeken in het klooster is. Aan het bestaande laat-middeleeuwse 'Slotje' zijn met de groei en bloei van de abdij telkens stukken aangeplakt, waarbij elke architect zijn best deed geen rekening te houden met de opstallen waar hij tegenaan bouwde.

Als de broeders hun nieuwe behuizing betrekken gaan ze er qua comfort flink op vooruit. Baeten, die veel moois over de kloostergelofte van armoede heeft geschreven, erkent het. Nu is de gemeenschappelijke douche en wc aan het andere eind van een lange, koude gang. Dat zijn ze gewend. Straks heeft elke kamer een eigen 'natte cel'.

Moet dat nou?, is de ernstige vraag voor wie als broeders in één huis willen samenleven en niet begeren te wonen als 'heren op kamers'. Adviseurs van buiten hebben erop aangedrongen: ja het moet toch; van nu nieuw bouwen zonder zulke basisvoorzieningen krijg je spijt, zeker als je nog eens (een deel) wil verhuren of verkopen. “We hoeven niet in een paleis,” stelt abt Baeten. Maar huisvesting met voor ons 'normale voorzieningen' rekent hij niet onder luxe.

Voor het zover is moeten de bewoners van Berne twee jaar kamperen in de krappe, koude kamertjes op de zeer brandgevaarlijke zolder, met rieten muren en houten vloeren. Volgend jaar zal dit gedeelte grondig worden verbouwd, waarbij alleen het casco overeind blijft.

De voltooiing van deze onderneming wordt ongetwijfeld een religieuze opsteker voor het jaar 2000. Bisschop Ter Schure, die eerdaags met pensioen gaat, mag de feestelijke inwijding en het nieuwe begin van deze vrijplaats aan zijn opvolger laten.

mailIcon print |